Home

Een tijdje geleden zag ik de film Rabat in de bioscoop. Rabat is een lowbudgetproductie, gefilmd met fotocamera’s, een project dat van start ging nog voordat duidelijk was hoe de kosten moesten worden gedekt. De film, een roadmovie over drie Amsterdamse vrienden uit Noord-Afrikaanse migrantenfamilies, geeft weer hoe in de geglobaliseerde maatschappij van vandaag verschillende werelden constant door elkaar lopen, en je als individu een eigen weg moet zoeken dwars door alle normen en omgangsvormen die deze werelden definiëren. ‘De jongens mogen dan wel Arabische Nederlanders zijn, in hun zoektocht naar een zekere identiteit kan iedereen zich herkennen’, schreef De Volkskrant erover (1) . Mooi – en soms ook humoristisch – aan de film is dat de drie jongens tegelijkertijd deel uitmaken van een Europees verhaal, alleen al qua taalgebruik rasechte Amsterdammers zijn én een diepe verwantschap voelen met de tradities van de Maghreb.

Laatst zat ik in een café in de Brusselse Marollen te praten met filosoof Bleri Lleshi. We hadden het over de mede door hem samengestelde essaybundel Identiteit en interculturaliteit,(2) die kort daarvoor in uitgebreide tweede druk was verschenen – en die overigens binnenkort (aangevuld met weer twee nieuwe hoofdstukken, één over taal en identiteit en één over persoonlijke, psychologische aspecten van identiteit) alweer in de derde druk verschijnt. ‘Identiteiten bestaan niet in hun isolement’, zei hij, ‘maar in interactie met andere identiteiten in een bepaalde omgeving en situatie. Ze beïnvloeden elkaar. Identiteiten zijn dynamisch en meervoudig. En die dynamiek en meervoudigheid van identiteit, vindt men niet alleen bij Belgen of Nederlanders met andere roots, maar bij elk mens’.

Schuilplaats voor onverschilligheid?

Het idee dat Lleshi hier schetste, en dat ook uit Rabat spreekt, is niet nieuw. Met name in het postmodernisme was het hot: het zelf is niet een denkende, voelende psychofysiologische entiteit, maar sociaal geconstrueerd en -construerend, het resultaat van de verschillende sociale krachten die het individu door de tijd beïnvloeden en de diverse posities die we innemen. In het postmoderne wereldbeeld was dit inzicht doorgaans synoniem met relativisme, want als het zelf geen coherent zelf meer was, wie was dan nog verantwoordelijk, aansprakelijk, toerekeningsvatbaar, wie is dan nog de auteur, de dader, enzovoort. Ook kan het inzicht een giftige voedingsbodem zijn voor zo ongeveer elk sociaal engagement en dus een gemakkelijke schuilplaats creëren voor onverschilligheid. Bij Lleshi is echter het tegendeel het geval.

Lleshi, die met zijn diploma’s politicologie en filosofie ook had kunnen kiezen voor een leven in de marmeren hallen van de universiteit, koos voor de wereld van de straat. Vanuit diverse sociale projecten treedt hij beroepshalve in gesprek met kansarme jongeren in Brussel. Deze filosoof houdt zich niet bezig met ondoordringbare analyses van ´de metastatus van de metakant´ (3) ; de wereld is voor hem niet enkel ´tekst en theorie´. Zijn wereld is de achterstandswijk. Het is zijn doel om te spreken met/over/ voor de werklozen en de armen, de sociale klasse die niet bij de maatschappij wordt betrokken. Vanuit projecten als ‘Empowerment door Engagement’ en ‘The Inspirator’ (4)  werkt hij met jongeren die maatschappelijke verandering vragen en nodig hebben.

Lleshi vertelt: ‘Een derde van de kinderen in het Brussels gewest groeit op in een gezin zonder arbeidsinkomen. In sommige wijken loopt de jongerenwerkloosheid op tot 50%. De samenleving focust steeds op het negatieve, op de ‘overlast’ die jongeren de samenleving bezorgen. Het is echter enorm belangrijk te luisteren naar hun verhalen, ervaringen, problemen, ideeën en ambities. Alleen zo kunnen we hen bereiken en motiveren – inspireren – om zich te engageren en dingen te realiseren. De jongeren vind ik via verschillende kanalen. Soms worden er oproepen gelanceerd, maar meestal gaat het via-via. Jongeren vertellen elkaar over hun goede ervaringen en vervolgens laten zij zelf weten dat ze interesse hebben om iets te doen. Af en toe verlopen de contacten via instanties, maar veel levert dat niet op.

Het project ‘The Inspirator’ gaat erom dat jongeren, zelfs al wonen ze nog maar kort in Brussel en hebben zij nauwelijks of geen zekerheid om in België te mogen blijven, volop bezig zijn als animateurs met jongeren en ouderen. Een goed voorbeeld is de Schaarbekenaar Soufiane die samen met een groep vrienden één op één-begeleiding biedt aan jongeren in de eigen wijk. Ze motiveren de jongeren om hun best te doen en te slagen op school. Ze vervullen de rol van oudere broers en zussen en krikken het zelfvertrouwen van deze jongeren op. De jongeren die zij vandaag begeleiden, kunnen morgen op hun beurt andere jongeren ondersteunen.’

Filosofische bronnen, sociaaleconomische dimensies

Identiteit en interculturaliteit bevat een hoofdstuk dat is geschreven door Lleshi zelf. Kort wil ik hier de strekking ervan samenvatten en laten zien via welke filosofische bronnen hij aan het probleem van het relativisme weet te ontsnappen en de weg vrij kan maken naar een geëngageerde positie voorbij de impasse van het postmodernisme.

Lleshi begint met een inzicht van Blommaert en Verschuren, het inzicht dat onder een schijnbaar tolerante houding vaak een weerstand tegen diversiteit bestaat. Diversiteit wordt in een land als België niet gezien als een gegeven, maar integendeel als een probleem dat gemanaged moet worden. En het management is altijd in handen van zij die de macht hebben. Om te voorkomen dat de ander altijd de ander zal blijven, is het westen begonnen met een integratiepolitiek. Deze politiek strookt met, en hier horen wij een inzicht van Marco Martiniello, de instandhouding van mythen als natievorming en egalitaire samenleving gebaseerd op de idee van een gedeeld burgerschap. ‘In werkelijkheid’, zegt Lleshi, ‘leggen die mythes, alsook de politiek die erop gebaseerd is, de nadruk op het anders-zijn van de ander’. Het delen van burgerschap gebeurt niet op basis van iemands huidige identiteit maar op basis van een essentialistisch historisch beeld. Lleshi blijft nog even bij Martiniello, die ‘klaagt over het feit dat vanaf het midden van de jaren negentig en na 9/11 de multiculturalisten en de antimulticulturalisten beiden culturalisten zijn geworden’. De problemen worden, met andere woorden, geduid met een cultuurbril op. Een bril die niet gemaakt is om etnoculturele diversificatie te zien, laat staan sociaaleconomische ongelijkheden.

Dit punt is ook de crux van Jullie zijn anders als ons, de in 2010 verschenen studie van antropologe Roanne van Voorst (5) . Dit boek is geschreven niet alleen op basis van gegevens van experts, wetenschappers en jongerenwerkers, maar ook aan de hand van gesprekken met allochtone jongeren in de Randstad, een gebied dat veel gemeen heeft met de Brusselse grootstad. Hoewel Van Voorst jammer genoeg de concepten ‘integratie’ en ‘inburgering’ niet echt kritisch benadert of ter discussie stelt, is haar boek is een interessante bijdrage aan de literatuur over multiculturaliteit, vooral vanwege de reikwijdte ervan. Van Voorst beschrijft nauwgezet de problematiek in allerlei groepen jongeren: autochtonen, Marokkanen, Turken, Surinamers, Antillianen, Chinezen, Molukkers, Afrikanen, vluchtelingen uit het Midden-Oosten, en tot slot Polen. Zij haalt concrete praktijkvoorbeelden aan, met citaten, en belicht de situaties vaak van enkele kanten.

Bovendien heeft zij veel gegevens verwerkt die, zoals ik al zei, de sociaaleconomische dimensie van de zaak tonen. Van Voorst schrijft: ‘Door het steeds maar weer benoemen van die “culturele” kenmerken wordt het groepsimago in stand gehouden door zowel allochtonen als autochtonen, en daarmee blijft het een onderdeel van de identiteit van de huidige jongere generatie’ (Van Voorst, blz. 69). Een mooi voorbeeld van het feit dat de sociaaleconomische dimensie vaak niet in beeld komt, wordt beschreven in het hoofdstuk over de beeldvorming van Marokkaanse jongeren – met name van groepjes ‘hangjongeren’ op straat en plein. Van Voorst beschrijft hoe zij (en dat is wel een cultuurverschil) thuis niet worden geëntertaind door hun ouders, maar meer ‘s avonds buiten spelen. Maar daarbij komt de sociaaleconomische dimensie – een effect dat doorgaans minder bekend is – Marokkaanse jongeren moeten constant bewijzen hoe hardwerkend zij zijn, hoe anders zij zijn dan criminele of rondhangende Marokkanen. En dat steeds-moeten-bewijzen wordt gefrustreerd door een complexe thuissituatie. Veel Marokkaanse vaders zijn werkloos geworden en in de bijstand terechtgekomen. Door de teleurgestelde houding van de thuiszittende ouders raakt de band tussen Marokkaanse vaders en zonen verstoord. Het gevoel van eigenwaarde bij Marokkaanse jongens wordt daarmee niet bepaald versterkt – zij groeien op in negativiteit – terwijl Nederlandse jongeren het goede voorbeeld thuis kunnen afkijken.

Het falen van de welvaartsstaat

Terug naar Brussel. Bleri Lleshi haalt Slavoj Zizek aan: ‘Zizek vraagt zich af waarom de problemen vandaag beschouwd worden als problemen van intolerantie en niet zozeer als problemen van ongelijkheid, uitbuiting en onrechtvaardigheid. Waarom heeft men het over tolerantie en niet over emancipatie en politieke strijd?’ Lleshi geeft aan dat de oorzaak van de culturalisering volgens Zizek gezocht moet worden in het falen van de welvaartsstaat, en dat bovendien de verantwoordelijkheid voor sociale verandering wordt gelegd bij individuen en gemeenschappen in plaats van bij de staat. Daardoor overheerst het idee dat migranten autochtonen letterlijk tot last zijn.

Dan keert Lleshi terug naar Blommaert en Verschueren en schrijft hij dat het de onweerstaanbare logica is van ons huidige cultuurconcept dat verschillen marginaal moeten zijn. Verderop spreekt hij ook kritisch over ‘normalisering’: ‘Er is grote druk bij de mensen om normaal te zijn en het voorbeeld van de ideale gevallen in de samenleving te volgen.’ Maar: ‘Niet normaal zijn is de gewone conditie van een menselijk wezen.’ Lleshi stelt dan ook scherpe vragen over het gebruik van concepten als ‘inburgering’ en ‘integratie’. Voor Lleshi hangen deze samen met een al te essentialistische opvatting van ‘culturele identiteit’. Een citaat uit een artikel op De Wereld Morgen:

De dynamiek en de gelaagdheid van identiteiten maken dat ze ook complex zijn. Want, bestaat er zoiets als een Vlaamse essentie? […] In Vlaanderen heb je witte, zwarte, Marokkaanse, Turkse en zelfs Franstalige Vlamingen. Wij hebben vele identiteiten en dat maakt het ingewikkeld, maar zeker niet onmogelijk. Het is een verrijking en een uitdaging om met die verschillende identiteiten te leven. Als Brusselaar kan ik hierover meespreken. Je kan van een andere afkomst zijn, Nederlandstalig, Vlaming én Belg. Vaak is het zoeken, maar dat is nu eenmaal hoe het in het dagelijkse leven gaat. En ja, soms zijn er fricties tussen die meervoudige identiteiten en soms weten we niet welke sterker of zwakker staan. En dan? Zijn er geen fricties tussen onze identiteiten als ouder en werkende mens? Of als werknemer en onze eigen idealen? Die vallen niet altijd even goed samen. Maar we proberen om er het beste van te maken. (6)

Van Voorst komt aan het eind van haar boek tot een vergelijkbare uitspraak: ‘De bestaande eisen rondom integratie en inburgering suggereren ten onrechte dat er sprake is van een onveranderlijke autochtone Nederlandse cultuur, waarvan buitenlanders die hier komen wonen zich goed op de hoogte moeten stellen’ (blz. 281). Maar goed, de nuancering van onze eigen culturele identiteit mag dan wel diversiteit helpen accepteren, maar biedt nog geen bruggetje uit het moeras van het relativisme, laat staan een fundament voor engagement; het probleem waarvoor we ons aan het begin van dit essay gesteld zagen.

Van Voorst begint en eindigt met een positieve houding. Zij opent haar boek met goed nieuws: ‘In vergelijking met voorgaande jaren volgen steeds meer allochtone jongeren hoger onderwijs en halen steeds meer scholieren met een niet-Nederlandse etnische achtergrond hun schooldiploma’. En zij eindigt het boek met: ‘Hier wonen hun toekomstige liefdes en hun vrienden. Hier horen ze thuis.’ Hoewel ook Lleshi aan het einde van zijn essay aangeeft dat de allochtone jongeren met wie hij sprak eerder idealistisch zijn dan pessimistisch, is Lleshi over het algemeen skeptischer en meer politiek van toon dan Van Voorst (overigens zonder met categorieën als ‘links’ en ‘rechts’ te werken). Lleshi zoomt in op de slogan ‘diversiteit als verrijking’ en geeft aan dat er niet werkelijk wordt nagedacht over woorden die door politici zijn uitgevonden. Het is nodig om buiten het kader van de dominante discussie te denken. Deze uitspraken tekenen in meer algemene zin ook het verschil tussen de antropoloog en de filosoof.

Lleshi en Van Voorst lijken in deze passages zelfs diametraal tegenover elkaar te staan. Lleshi:

[…] gelijkheid mag niet alleen materieel worden ingevuld, rechten en plichten, maar hangt ook samen met de erkenning van elkaars verschillen en het feit dat men niet gediscrimineerd mag worden op basis van bijvoorbeeld geslacht, leeftijd, ras, klasse en levensovertuiging.

Van Voorst:

Het is voor allochtone jongeren belangrijker dat ze zichzelf kunnen redden – dat ze de weg kennen naar instituten, een baan vinden, hun kinderen kunnen helpen opgroeien, en zich niet gedwongen voelen om in de marge te leven – dan dat ze weten waarom autochtonen oliebollen eten met oudjaar. Met andere woorden: echt waardevolle integratie heeft te maken met rechten en plichten, en niet zozeer met cultuur en geschiedenis.
Bij Van Voorst is de politieke dimensie veel minder scherp aanwezig. Het begrip ‘rechten en plichten’ wordt door Van Voorst in het boek wel geconcretiseerd maar niet verder ontleed, terwijl Lleshi juist dat niveau problematiseert en een stap fundamenteler gaat: ook daar stipt hij de werking van discriminerende machten aan. Het ‘de weg kennen naar instituten’ lijkt voor Van Voorst een redelijk probleemloos gegeven, (maar het is ook mogelijk dat deze houding meer past bij de Nederlandse situatie, waar de ambtelijke infrastructuur voor de burger helderder is dan in België), terwijl Lleshi juist hamert op de machten die dit in de weg staan. Op dit punt toont Lleshi zich een foucauldiaan en een neomarxist en combineert hij de eerder aangestipte inzichten over meervoudige, dynamische identiteit met die over dominantie en ongelijkheid.

Openheid in gesprek

Lleshi eindigt zijn hoofdstuk met een paragraaf over Hans-Georg Gadamer, die in zijn filosofisch oeuvre heeft gesproken over het belang van de ontmoeting met de ander, over de wil om te luisteren. Wij moeten volgens Gadamer durven erkennen wat de ander zegt. ‘Het gesprek heeft een transformerende macht’, besluit ook Lleshi met goede hoop. Wat Lleshi echter vergeet, is dat Hans-Georg Gadamer zèlf de ander niet altijd tegemoet is gekomen. Gadamer was een van de schrijvers die er in de Tweede Wereldoorlog voor koos om in Innere Emigration te gaan – in Duitsland te blijven . (7)

Hij [Gadamer, AE] verwierf professorale posities, zegt men, door zonder scrupules de banen over te nemen van ontslagen academici van Joodse afkomst. Zo accepteerde hij bijvoorbeeld de leerstoel van Richard Kroner, de Joodse professor te Kiel. […] Gadamer beweert dat hij het pad van de ‘Innere Emigration’ heeft gevolgd; wat betekent dat hij binnen het Derde Rijk gewerkt heeft, maar psychologisch gezien zijn afstand heeft gehouden. Hij zou in metaforische zin zijn geëmigreerd. Dit laatste punt lijkt waar te zijn. Gadamer schreef erg weinig in de periode 1933-45 en het lijkt erop dat hij zich in de luwte heeft gehouden, zichzelf onzichtbaar heeft gemaakt.’ (8)

Men kan zich afvragen of Gadamers eigen gedrag zijn theorie over het ontmoeten van en luisteren naar de ander niet ondermijnt. Hoe kon Gadamer het gesprek prediken en tegelijk elk gesprek met de Joodse ander ontwijken? Lleshi is in elk geval een filosoof die tussen de ‘hangjongeren’, in dialoog, en niet ex-cathedra, in monoloog, te werk gaat. Hopen op openheid in gesprek lijkt uiteindelijk het enige dat ons uit de benarde situatie kan redden, samen met een zoeken naar gelijkvormigheid in plaats van naar verschil. Lleshi: ‘De uitdaging bestaat erin om over verschillen te denken in termen van affiniteit in plaats van antagonisme’ (Lleshi, blz 192).

Dit doet mij denken aan mijn reis, enkele maanden geleden, naar Fès, de oude stad in het noorden van Marokko. In de Jardin Jnan Sbil, net buiten de oude soek, kwam ik een man tegen die met zijn dochter en zijn kleinkinderen van de zonnige ochtend aan het genieten was. Spontaan begon hij tegen me te praten. Hij vertelde dat hij een groot deel van zijn leven met veel plezier in de Verenigde Staten had gewerkt en gewoond, maar dat hij weer naar zijn geboortestad was teruggekeerd. Sinds 9/11 werd zijn leven in de VS compleet onmogelijk gemaakt. Mensen vergeten dat we allemaal Mens zijn, zei hij.
Nog even terug naar Rabat. Op het hoogtepunt van de film culmineert de plot in een discussie over… identiteit. Wie is Nadir? Wie zijn Abdel en Zakaria? Betrouwbaar of egocentrisch? Lui of hardwerkend? Nietsnutten of succesvolle ondernemers? Wat blijkt uit de scène is dat identiteit ook tussen de Marokkaanse jongens onderling een kwestie is van perspectief. De jongens zijn luie, egocentrische nietsnutten als je dat zo wil zien, het zijn hardwerkende, betrouwbare ondernemers als je iets anders wil zien.

Interview door Annemarie Estor

Uit Streven Tijdschrift, Februari 2012

Meer info:

http://www.streventijdschrift.be

https://blerilleshi.wordpress.com/

https://www.facebook.com/Bleri.Lleshi

 

1. http://www.volkskrant.nl/vk/nl/3376/film/article/detail/2443511/2011/06/09/Rabat-bijzondere-productie-met-een-warm-hart.dhtml
2. Bleri Lleshi en Marc Van den Bossche (red.), Identiteit en interculturaliteit. Identiteitsconstructie bij jongeren in Brussel, VUB Press, Brussel, 2011.
3. Een frase van Rutger Bregman, ´Een ondoordringbare sekte´, in Trouw, zaterdag 12 november 2011.
4. Meer over dit project is te vinden op http://www.youtube.com/watch?v=TgVj7VHIVTc
5.  Roanne van Voorst, Jullie zijn anders als ons. Jong en allochtoon in Nederland, De Bezige Bij, 2010.
6. http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/10/07/vlaming-en-belg
7. Zie Herman Simissen, ‘Innere Emigration in het Derde Rijk, Verzet of verraad der klerken?’, in Streven, december 2011, blz. 985-996.
8. Chris Lawn, Gadamer: A Guide for the Perplexed, Continuum, 2006, blz. 21.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s