Home

adremOns land zal nog een hele tijd moeten leven met het risico op terroristische aanslagen. Dat plaatst ook onze rechtsstaat voor grote uitdagingen. Hoe reëel is het risico dat we haastmaatregelen nemen waarmee we op termijn een bom leggen onder onze eigen democratische verworvenheden? Tijd voor een rondetafelgesprek over onze grondrechten, dagjespolitiek, de verantwoordelijkheid van de media, die van advocaten én van elke burger.

“Het is ongezien. Het gaat niet over een tiental of vijftiental personen, het gaat over honderden mensen die eventueel een aanslag zouden kunnen plegen of zich schuldig kunnen maken aan terroristische feiten”. Federaal procureur Frédéric Van Leeuw maakte enkele maanden geleden glashelder dat “zolang er geen oplossing of vrede is gevonden voor de conflicten in Syrië, Irak en Libië, ook wij niet voor 100% in vrede kunnen leven.” Over de te nemen maatregelen lopen de meningen behoorlijk uiteen. Niet alleen in het parlement, maar ook bij justitie. Luc Hennart (de voorzitter van de Brusselse rechtbank van eerste aanleg) waarschuwde voor ‘ondoordacht’ beleid dat net een voedingsbodem zou kunnen creëren voor een nieuwe generatie terroristen. Hij zit sindsdien op ramkoers met minister Geens. Ook de Antwerpse onderzoeksrechter Karel Van Cauwenberghe liet zich al kritisch uit over de commissie terrorismebestrijding. De bekommernis bij mensenrechtenorganisaties, talrijke advocaten en uiteraard zij die op het terrein elke dag strijden tegen radicalisering is eveneens groot. Rond de tafel zitten daarom professor Stefan Sottiaux, volksvertegenwoordiger Sarah Smeyers, de Molenbeekse arts Leen Vermeulen en politicoloog-jongerenwerker Bleri Lleshi. Veroorzaakt de strijd tegen terreur een hellend vlak dat onze rechten uitholt of net niet? Zoals bij elk rondetafeldebat schotelde Ad Rem het panel 4 soms provocerende stellingen voor (niet noodzakelijk OVB-standpunten).

WIE IS WIE?

STEFAN SOTTIAUX: Docent grondwettelijk recht en mensenrechten aan de KU Leuven, coördinator van het Universitair Centrum voor Discriminatie- en Diversiteitsrecht, advocaat bij Demos Public Law. Schreef zijn doctoraat over de relatie tussen terrorisme en mensenrechten.

BLERI LLESHI: Politiek filosoof, columnist en jongerencoach in Brusselse scholen. Schreef o.a. ‘De neoliberale strafstaat’ en publiceerde zonet ‘Liefde in tijden van angst.’ Is volgens Knack (2014) een van de 25 meest invloedrijke allochtonen.

LEEN VERMEULEN: Huisarts bij Geneeskunde voor het Volk in Sint-Jans-Molenbeek, tevens burn-outcoach en opgeleid in de integratieve psychotherapie. Woont sinds 17 jaar in Molenbeek met echtgenoot en 4 kinderen en is er actief in het socio-culturele en politieke werkveld.

SARAH SMEYERS: Federaal volksvertegewoondiger voor de N-VA, OCMW-voorzitter en schepen in Aalst. Samen met Theo Francken auteur van het boek ‘België: land zonder grens.” Vast lid van de commissie terrorismebestrijding.

THEMA 1: STRAFRECHT ALS PREVENTIE-INSTRUMENT IN DE STRIJD TEGEN TERREUR

STELLING: Naast programma’s voor deradicalisering en integratie kan ook het strafrecht een preventieve functie vervullen. Weliswaar kan men gevaarlijke personen al aanhouden in de voorfase van terrorisme (werven, opleiden, oproepen tot aanslagen, …), maar door terrorisme zo ruim mogelijk te interpreteren en vooral het straf(proces)rechtelijk instrumentarium uit te breiden, zouden politie en veiligheidsdiensten risico’s veel sneller kunnen detecteren. En zo aanslagen vermijden.

STEFAN SOTTIAUX: “Door de wetgeving die tot stand kwam na de aanslagen van 9/11 kan er vandaag al heel veel op preventief vlak. Daarover bestaat ook geen controverse want de wetgever heeft dat evenwichtig aangepakt: aan de vrije meningsuiting en het recht op vereniging is niet geraakt en er moet sprake zijn van een ‘clear and present’ danger. Natuurlijk weet ik niet wat er in het parlement nog te gebeuren staat en misschien kunnen sommige definities nog wat opengetrokken worden, maar een uitbreiding van het instrumentarium lijkt me niet nodig. De prioriteit is beter werkende en gefinancierde veiligheidsdiensten, zoveel is wel duidelijk geworden.”

LEEN VERMEULEN: “Precies: dat alle daders van de aanslagen in Parijs al gekend waren, is onthutsend. Dat men er dus in de eerste plaats voor zorgt dat er met de bestaande instrumenten efficiëntiewinst wordt geboekt, in plaats van het strafrecht te bekijken als preventiemiddel. In Molenbeek hebben moeders om drie redenen schrik: de terreurdreiging zelf, de stigmatisering van jongeren in de wijk en daarmee gepaard gaand politiegeweld en de mogelijke reactie van hun kinderen op die cocktail. Omdat men nog steeds niet weet bij wie men terecht kan met vragen, is de onmacht en bekommernis groot. Een goede preventie ligt buiten het strafrecht.”

BLERI LLESHI: “De aanslagen in Parijs bewijzen niet het falen van de wet, maar het falen van de samenwerking op politiek en veiligheidsvlak, zowel in ons eigen land als in Europees verband. Laten we voor we spreken over de uitbreiding van het strafrecht eindelijk eens focussen op het ‘waarom’ van alles. Dat wordt mijn centrale oproep in dit debat, want alleen wanneer we dat doen, zullen we de mechanismen en redenen van zowel de aanslagen als het falen van onze overheden begrijpen én kunnen oplossen. Maar dat vraagt om leiderschap en moed om verantwoordelijkheden op te nemen. Dat impliceert dat je eindelijk durft toe te geven dat heel veel factoren met elkaar samenhangen, en dat je aan de basis moet werken, nog voor er radicalisering kan ontstaan. Helaas is van een totaalvisie hoegenaamd geen sprake. Heel concreet: in de school waar ik werk, en waar veel leerlingen al getraumatiseerd zijn omdat een van de terroristen bij hen in de klas zat, moeten er ondanks het capaciteitsprobleem en de door de overheid zelf aangeklaagde gebrekkige infrastructuur nog eens 120 leerlingen bij. Resultaat: je maakt het werk van leraars, jongerencoaches en deradicaliseringsambtenaren alleen maar moeilijker. Politici moeten investeren in een integraal beleid in plaats van populistische uitspraken te doen of maatregelen te nemen waarmee ze de radicalisering net in de hand werken.”

SARAH SMEYERS: “Als politica maar ook juriste erken ik dat het gevaar voor steekvlampolitiek bestaat. Dat is waar. Maar wanneer u praat over een integraal beleid, wat inderdaad nodig is, moet men ook kijken naar het maatschappelijke totaalplaatje. Je moet de dingen durven te zeggen zoals ze zijn: een deel van de bevolking wil niet weten van extra maatregelen, maar een heel groot deel wél. U weet dat ik vroeger nauw heb samengewerkt met Theo Francken op het thema asiel en migratie en mijn hoofdbekommernis blijft dezelfde: ik wil – om kort door de bocht te gaan – niet in een situatie terechtkomen waarin elke moslim als een terrorist wordt bekeken. En als er extra maatregelen nodig zijn, dan is dat zo. Men schat onvoldoende in welke evenwichtsoefeningen we in het parlement moeten maken. Soms is het echt balanceren om een evenwicht te vinden tussen vrijheid, privacy en het garanderen van de veiligheid, wat ook in de grondwet staat.”

Conclusie: Het huidige wettelijke kader wordt eigenlijk toereikend bevonden door het panel. Stefan Sottiaux duidt juridisch: “De mensenrechtenverdragen bevatten eigenlijk een positieve verplichting voor de overheid om het recht op leven en veiligheid te beschermen, en dat veronderstelt naast repressie ook preventief optreden.” Tegelijk pleit hij voor waakzaamheid: “Men mag onder de noemer terrorismebestrijding geen voorafnames doen op de toekomstige hervorming van de strafprocedure. Ook de mini-instructie komt al voor in Potpourri II, en men heeft er snel van geprofiteerd om die nog wat uit te breiden.”

THEMA 2: “NECESSITAS FRANGIT LEGEM”

STELLING: In tijden van nood moeten individuele rechten kunnen wijken voor het algemeen veiligheidsbelang. Daarom moet de politie, minstens tijdelijk, verregaandere bevoegdheden krijgen die de grondrechten van verdachten in zekere mate inperken. Ook procedurele waarborgen (rechterlijke machtiging, beperking in tijd,…) mogen in dat kader worden opgeschort.

SARAH SMEYERS: “Ik spreek nu als schepen en OCMW-voorzitter van een centrumstad (Aalst, red.) die niet ver van Brussel ligt: niet alleen de gegevensuitwisseling moet beter, de politie moet ook extra mogelijkheden krijgen om die informatie te verzamelen. Zo vind ik dat er een gedeeld beroepsgeheim moet komen. Als bijvoorbeeld maatschappelijk werkers, leraars, psychologen en andere zorgverleners of begeleiders van erediensten een aanvoelen hebben dat iemand radicaliseert, dan mag de privacy worden opgeheven en moeten zij die namen kunnen doorgeven aan de politie. Of hiertoe zelfs verplicht worden zonder dat schending van het beroepsgeheim dreigt.”

LEEN VERMEULEN: “Ik heb grote moeite met wat u nu zegt. Ik wil als arts wel de kans hebben om welbepaalde zaken te kunnen signaleren, maar dan met het oog op opvang in een veilige omgeving waar misgelopen ideeën rechtgetrokken kunnen worden door psychologen, jongerenwerkers, religiespecialisten en deradicaliseringsambtenaren, in een fase vooraleer strafbare feiten gepleegd worden. Ik ben voor gegevensuitwisseling, maar niét met de bedoeling om jongeren bij de politie aan te geven. Daarmee zouden alle nu reeds moeilijke verhoudingen in de maatschappij verder scheef worden getrokken.”

SARAH SMEYERS: “Waarom is er altijd zo’n vrees voor de overheid en de politie? Wat ik zeg is niet meer of minder dan dit: we mogen echt wel iets scherper gaan om een veiligheidscultuur te organiseren. Laten we hier het maatschappelijk debat aangaan. Zijn wij met zijn allen bereid om ons in openbare gebouwen, bioscopen enz. meer te laten controleren? Zijn wij met het oog op meer veiligheid bereid om soms een stuk van onze privacy op te geven? In uitzonderlijke situaties moet men extra maaregelen kunnen nemen. Ik geef ook deze overweging mee: zelfs al gaan wij als politici heel ver, dan nog zal men ons verwijten dat we niet ver genoeg zijn gegaan mocht er toch een aanslag gebeuren. Terwijl je dat nooit kan uitsluiten.”

STEFAN SOTTIAUX: “Dit thema is enorm interessant, omdat het debat over uitzonderlijke maatregelen in België nog niet is gevoerd. In het Verenigd Koninkrijk en in Frankrijk is dat wel gebeurd: men mag er een aantal rechten die te maken hebben met vooral aanhouding en huiszoeking tijdelijk opzij zetten om de politie meer slagkracht te geven. Er is uiteraard wel nood aan een goed kader. Daarom pleit ik voor de invoering van een noodgrondwet in België. Om te beginnen ligt het in lijn met de internationale mensenrechten en ook het EVRM voorziet in de mogelijkheid om in uitzonderlijke crisissituaties af te wijken van het normale beschermingsniveau. Onze grondwet kan echter – net zoals de Amerikaanse – nooit geheel of gedeeltelijk worden geschorst. De wetgever zit hier gewrongen. Maar dat is geen goed systeem want de geschiedenis toont aan dat regeringen om aan de vraag van de publieke opinie te voldoen telkens weer grondrechten omzeilen of schenden. Denk aan de interneringskampen voor Amerikaanse staatsburgers van Japanse origine tijdens WO II, aan de besluitwetten die in ons land in beide wereldoorlogen de censuur hebben ingevoerd en uiteraard aan Guantanomo Bay. Dat zijn allemaal zaken die manifest in strijd zijn met tal van rechten.”

“Daarom zeg ik, nu de verlenging van de aanhoudingstermijn naar 48 of zelfs 72 uur op tafel ligt, zelfs voor zaken die niets met terrorisme te maken hebben, dat zoiets absoluut niet permanent kan zijn. Pas daarom art. 12 GW, dat door de gewijzigde Salduzwet deze legislatuur toevallig voor herziening vatbaar is, op een doordachte manier aan. Ik stel een overgangsbepaling voor die bepaalt dat de wijziging van art. 12 ophoudt te bestaan op het moment dat art. 187 GW kan worden herzien. Schrijf daarin naar voorbeeld van het EVRM de voorwaarden voor een noodtoestand, met extra mandaten voor de politie, maar ook mét parlementaire controle om uitwassen te vermijden. Anders begeven we ons op een hellend vlak en ondergraven we op termijn de rechten van elke burger. Ook voor de trend van ‘outsourcing’ van het strafrecht buiten het gerecht, wil ik waarschuwen. Er gaan stemmen op om de enkelband via de GAS-methode op te leggen: dat is funest voor onze rechtsstaat.”

BLERI LESHI: “Ik ben blij met die nuance omdat ze zo vaak ontbreekt maar zo belangrijk is. Nochtans komen de bedenkingen en commentaren van specialisten, onderzoekers en academici, mensenrechtenactivisten en maatschappijbetrokken advocaten niet of nauwelijks aan bod in de Wetstraat of in de media. Tenzij ze kunnen worden uitgemeten als een soort gevecht tussen personen, want dat verkoopt. Ik ken de media, ik schrijf er zelf voor, maar weet u dat ik op een bepaald moment zo gedegouteerd ben geraakt dat ik een half jaar lang elk interview heb geweigerd? Alleen op de BBC kon ik nog een beetje nuance meegeven. Er is hier bijvoorbeeld zonet gesproken over het installeren van een ‘veiligheidscultuur’. Dat is pas een oneerlijk discours dat de angstcultuur alleen maar opzweept. Er is nochtans veelvuldig en betrouwbaar onderzoek dat bewijst dat onze samenleving nog nooit zo veilig is geweest. Los van het terrorisme waren we dus goed bezig, maar het oproepen van angst zet dat allemaal op de helling. Waarom hebben wij zo’n angst en gooien we terreur, criminaliteit en de vluchtelingenstroom op één hoop? De toch internationaal gereputeerde professor Jan van Dijk (verbonden aan o.a. het International Victimology Institute in Tilburg, red.) ziet daarin twee grote oorzaken: hoe de media functioneren, en het discours van politici. Zij voeden elkaar op een heel ongezonde manier. De politiek kent dat onderzoek, maar zwijgt het dood. De fundamentele kwestie is intussen wel waarom we miljarden in een veiligheidscultuur zouden investeren terwijl we weten dat het sociaal-economische de hoofdoorzaak van radicalisering is. En verder over angst: na die verschrikkelijke aanslag in Noorwegen heeft de president er samen met de hele bevolking bewezen dat er een andere optie is. In Noorwegen heeft men duidelijk besloten geen rechten te ondergraven, niet toe te geven aan angst en er de zaken vanuit een progressief standpunt te benaderen. Mét resultaat.”

Conclusie: Onder de noemer terrorismebestrijding voorafnames doen waarvan elke goedmenende burger het slachtoffer kan worden: het panel wil het niet, maar toch is het risico bestaande omdat bepaalde grondwetsartikelen niet voor herziening vatbaar zijn. Om te voorkomen dat een burger – bij wijze van boutade – straks 72 uur in de cel zit wegens een verkeersovertreding, reikt Stefan Sottiaux de politici echter een stappenplan aan zodat naar Frans voorbeeld op termijn een noodtoestand mogelijk wordt. Opvallend is voorts dat het hele panel bekommerd is om de rol van de media. Sarah Smeyers ziet echter niet meteen een uitweg: “Ook ik stoor me soms aan die permanente vraag naar oneliners. Maar wij moeten er ten dele in mee om onze boodschap te verkondigen. En je komt helemaal niet vooruit als iedereen elkaar voortdurend met de vinger wijst.”

THEMA 3: OUTLAWS VERVREEMDEN NOG MEER VAN ONZE WESTERSE MAATSCHAPPIJ

STELLING: Na de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo werd een aantal wetten goedgekeurd waardoor Syriëstrijders en terroristen hun nationaliteit en verblijfsvergunning kan worden afgenomen. Maar die wet werkt de radicalisering van vaak al achtergestelde moslimjongeren net in de hand, terwijl nota bene zowel de federale als Vlaamse regering nu extra wil investeren in deradicalisering en preventie van terrorisme.

LEEN VERMEULEN: “Ik ben het volledig eens met die stelling. Die wet vergroot het wij-zij- denken.”
BLERI LLESHI: “Dat creëert de facto twee soorten burgers. Ik heb het heel moeilijk met het afnemen van de nationaliteit. Dat is flagrant in strijd met het EVRM.”

SARAH SMEYERS: “Ik erken dat dat een moeilijke kwestie is. Maar je kan er tegelijk niet om heen dat het wij-zij-denken al decennia speelt. Het integratiebeleid is te laat op gang gekomen.”

LEEN VERMEULEN: “Dat mag ons toch niet beletten hieraan te blijven werken?”
STEFAN SOTTIAUX: “De Europese rechtscolleges hebben er zich nog niet over uitgesproken, maar de kans bestaat dat ons land hierop wordt teruggefloten. En als het afnemen op zich nog geen schending van een mensenrecht zou zijn, toch zou het eventuele verwijderen van het grondgebied wél een schending kunnen veroorzaken. Men mag immers geen mensen uitwijzen naar landen waar gefolterd wordt en evenmin mag men mensen uitwijzen die hier een gezinssituatie hebben opgebouwd. Bovendien mag men mensen niet staatloos maken. Daarom is die wet alleen toepasbaar op wie een dubbele nationaliteit heeft. De vraag rijst of je daarmee geen ‘tweederangsburgers’ creëert. In de VS, waar ik veel onderzoek heb verricht en men toch niet bekend staat om een voorzichtige aanpak, is het afnemen van de nationaliteit absoluut ondenkbaar. Daar beschouwt men het als een wrede en ongewone straf.”

Conclusie: Nog nooit maakte een panel zo unisono komaf met een stelling. De conclusie is dus eenvoudig: de maatregel is weinig effectief en er zijn heel wat juridische obstakels. Het wordt waarschijnlijk wachten op een Europese veroordeling – en de maatregel zelf intrekken voor een hoop politieke stennis zou zorgen. Leen Vermeulen stelt een ogenschijnlijk eenvoudige lakmoesproef voor. “Ik vind dat bij het invoeren van elke rechtsregel in deze een dubbele toetsing hoort. Draagt hij bij tot de veiligheid en stigmatiseert de regel zeker niet: dat moet telkens vooraf veel beter nagegaan worden.”

THEMA 4: EEN ALLOCHTONE JONGERE MET EEN BAARD EN EEN RUGZAK…VERDACHT?
STELLING: De politie mag volgens art. 34 Wet Politieambt iedere persoon tegenhouden en de identiteit controleren op grond van gedragingen, materiële aanwijzingen of concrete omstandigheden van tijd en plaats. Hoewel systematische en willekeurige controles, bijvoorbeeld op grond van het uiterlijk verboden zijn, moeten we kunnen aanvaarden dat momenteel een zekere vorm van ethnic profiling onvermijdelijk is wanneer moslimjongeren zich verdacht gedragen of zich zelfs maar in de buurt van plaatsen bevinden waarvan men denkt dat die een doelwit voor terrorisme kunnen vormen.

BLERI LESHI: “We spreken vandaag over radicalisering en terrorisme: onderzoek van de universiteit van Oxford wijst uit dat 5 % in de moskee radicaliseert, en 80 % door vrienden en informatie die hij op het internet haalt. Dat is veelzeggend: onvermijdelijk moet ik het hebben over racisme en discriminatie. Onderzoek van de KU Leuven wees een paar jaar geleden al uit dat het grootste probleem van de Brusselse moslimjongeren niet huisvesting of onderwijs is – zelfs al weten we dat België het meest ongelijke onderwijssysteem in het Westen heeft – maar racisme. Dat is ook de reden waarom ik jongerenwerker ben geworden: om hen zelfwaarde te geven. Van al de jongeren waar ik over de jaren heen mee heb gewerkt, is er geen enkele naar Syrië vertrokken. Integendeel: er zijn er die anderen hebben tegengehouden. Maar wanneer ik zeg dat racisme radicalisering in de hand werkt, word ik nog steeds afgeschilderd als een wereldvreemde marxist. Uiteraard moeten mensen gecontroleerd kunnen worden, maar laten we wel wezen: die controles gebeuren vaak op erg vage gronden. Helaas zijn discriminatie en racisme heel moeilijk te begrijpen als je het zelf niet meemaakt. Ik vergelijk het altijd met seksisme. Als man kan ik dat moeilijk begrijpen want ik maak het niet mee, maar ik mag nooit zeggen dat het niet bestaat. Dus relativeer dat niet en ontken het niet.”

LEEN VERMEULEN: “Het is de realiteit: je zal maar vier keer per week gecontroleerd worden en onschuldig worden opgepakt. Mensen worden daar heel moe en angstig van en ze hebben zelfs geen zin meer om nog klacht in te dienen: ze willen gewoon rustig kunnen leven. Jongeren radicaliseren omdat ze hun plaats niet vinden in de maatschappij, maar die maatschappij moet hen ook een plaats willen geven. Dat doe je niet door extra repressief te werk te gaan, wel integendeel. Er mag heel veel gecontroleerd worden, maar controle op discriminatie en racisme is blijkbaar een taboe. Alsof dat ‘zachte misdrijven’ zijn.”

STEFAN SOTTIAUX: “De statistieken zijn dramatisch: België is wat discriminatie en racisme betreft een veel slechtere leerling dan onze buurlanden, de rest van West-Europa en de VS. Over de link met radicalisering weet ik onvoldoende, maar het is duidelijk dat dat probleem aanpakken heel complex is. We hebben weliswaar de anti-discriminatiewetgeving al heel lang, maar die afdwingen is enorm moeilijk – racisme gebeurt zelden openlijk, met alle gevolgen voor de bewijslast. Voorts zit niet alle heil in bemiddeling. Wanneer er sprake is van flagrante discriminatie of racisme zou men meer naar de rechter moeten stappen en zeer hoge schadevergoedingen eisen. De wetgeving die bestaat is perfect, maar ze wordt veel te weinig afgedwongen.”

BLERI LLESHI: “We hebben hier nog heel veel werk. Ik had het al over het belang van het socio-economische om de radicalisering aan te pakken en ik wil daar even op terugkomen. Open VLD heeft een aantal maanden geleden de cijfers opgevraagd wat betreft discriminatie op de arbeidsmarkt. Hieruit blijkt dat er tussen 2008 en begin 2015 welgeteld één proces-verbaal is opgesteld. Toen ik dat in een column voor de Brussels Times schreef, dacht de hoofdredacteur dat ik me vergiste. Europese onderzoekers zijn ontsteld als ik hen dat vertel. Nu, we praten al maanden met het Interfederaal Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding om te kijken hoe we slachtoffers beter kunnen bijstaan, maar feit is: bemiddeling staat daar steeds voorop.”

SARAH SMEYERS: “Naar mijn aanvoelen worden oorzaken en gevolgen te veel door elkaar gehaald als je het debat zo ver opentrekt. Ik vind het ook jammer dat er blijkbaar steeds ‘daders’ moeten worden gezocht, in de politiek, bij de politie, enzovoort. We hebben allemaal onze verantwoordelijkheid en we kunnen blijven debatteren over oorzaken. Ik zou positief willen besluiten. Het goede inzicht is alleszins dat we tijdelijk bijkomende maatregelen moeten treffen voor deze hopelijk tijdelijke situatie. Als juriste en lid van de commissie terrorismebestrijding is het ook echt mijn bekommernis om daarbij globaal gezien een evenwicht te bewaren en zoveel mogelijk rechten te vrijwaren. Maar er is ook een ander evenwicht dat speelt, en dan praat ik eerder als politicus ‘all round’. De hoeveelheid mensen en middelen die we kunnen inzetten, is beperkt. We zullen die dus onvermijdelijk moeten verdelen tussen preventie én repressie. Aan alles zitten limieten.”

Conclusie: Impliceert een verschil in visie, hoe klein ook, mogelijk een debat zonder einde? Opvallend is dat wie op het terrein werkt, de link tussen racisme en radicalisering heel duidelijk legt. De academische wereld heeft een zeker falen van ons land alleszins ontbloot en ook uit de officiële cijfers voor België in het Europese MIDIS onderzoek (2010) blijkt de ongelijke benadering en behandeling van burgers met migratieroots door de politie problematisch. Bleri Lleshi: “Nochtans voel ik me hierin samen met vele activisten en mensenrechtenorgansisaties niet gehoord. En dan gaat het niet over één partij, maar over de hele regering. Gelukkig heb ik wel de indruk dat ook meer en meer academici en geëngageerde advocaten dit debat cruciaal vinden. Ik ben heel blij dat ik in dit land woon, en ik hoop dat al wie het goed voorheeft met onze grondrechten zich inschakelt in een inclusieve samenleving. Aan de mensenrechten zoals ze nu bestaan is meer dan 200 jaar ‘werk’ voorafgegaan: ik hoop dat we die niet zomaar op de helling zetten.”

Interview door Jan-Pieter Mateusen

Uit tijdschrift AdRem, maart 2016

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s