Home

dsweekbladBleri Lleshi wou de wereld zien, toen hij op zijn 18de uit Albanië vertrok. Maar hij bleef hangen bij zijn eerste stop, want ‘in Brussel vond hij de wereld’. De politiek filosoof, documentairemaker, dj, schrijver, docent en man achter #DailyRacism is voltijds activist en durft zonder ironische dekking zijn doel bij naam te noemen: een betere wereld. ‘Wat anders?’

Ik ben te vroeg. Ik wandel zijn straat in en Bleri Lleshi (34) wandelt die aan de overkant net uit. Hij komt terug met eten – brood, olijven, koffiekoeken. Het is vrijdagochtend, Elsene geeuwt, en het Flageyplein achter de hoek ligt nog te bekomen van de FM Brussel-dreun. Het scheelde niets of het plein was zijn radio kwijt.

De bijna-doodervaring van FM Brussel is hard aangekomen bij de overkoepelende Vlaams-Brusselse media vzw. Lleshi weet wat je met goede crisissen hoort te doen: ze niet verspillen. ‘Maak FM Brussel nu meertalig’, opperde hij in het heetst van de overlevingsstrijd. ‘Een meertalige stad als Brussel heeft meertalige media nodig, het zal tot een boost aan luisteraars leiden.’ Zijn voorstel werd toegejuicht, ook uitgejouwd, in elk geval: gehoord.

Elke zaterdagavond is Lleshi trouwens zelf aan zet bij FM Brussel, als dj Bruselo, samen met dj Mukambo, tijdens het uurtje Groovalicious. De gelijknamige feestjes die ze elke maand organiseren, spreiden de armen wijd open: van hiphop en soukous helemaal tot balkan en arabesque. Vanaf september stapt de KVS mee in Groovalicious, in een poging om de Nederlandstalige Brusselaar mee te krijgen. Het blijft oud nieuws: in de smeltkroes Brussel lijkt het water tussen de Nederlands- en Franstaligen het diepst.

Just say it in English!

Bleri Lleshi zet koffie zoals de Italianen dat graag doen: met een Bialetti op het gasvuur. Het is een espresso die tijd vergt. Intussen serveert hij de koffiekoeken en zwaait hij zijn verloofde uit. Ze switchen van Nederlands, naar Frans, naar Engels, en terug. Drie zinnen gemiddeld per taal. Hij staat er niet meer bij stil. ‘Er is zelden één uur waarin ik maar één taal spreek. Dat zou vreemd voelen.’

Het klinkt zelfgenoegzaam, hij stelt het zelf nochtans ook maar vast. Zes talen spreekt hij: Albanees, Nederlands, Frans, Engels, Italiaans en Spaans. Albanees is zijn moedertaal, de rest leerde hij in liefde en vriendschap. Letterlijk zo: hij leerde de taal van de vrienden en geliefden die zijn pad kruisten. En hij leerde eenvoudigweg door te luisteren. ‘Ik nam de talen aanvankelijk heel letterlijk, haast fonetisch over. Vandaar dat bij mij elke taal klinkt zoals die door de mensen in mijn omgeving wordt gesproken.’

Gaat het zo vanzelfsprekend als je het doet klinken?

‘Nooit zonder wilskracht natuurlijk. Met Nederlands ben ik pas op mijn 18de begonnen, de leeftijd waarop ik van Albanië naar België kwam. Om het zo snel mogelijk onder de knie te krijgen, heb ik haast meteen beslist om alleen nog Nederlands te spreken. Tot frustratie van mijn vrienden vaak. “Just say it in English, Bleri!” Maar ik heb volhard. Met vallen en opstaan, en gênant veel fouten. En lang het vervelende gevoel me niet te kunnen uitdrukken – dat is een zeer ontwrichtend en eenzaam gevoel, geloof me. Het is misschien niet de enige manier om het zo aan te pakken. Maar wel de snelste, en al zeker: de mijne.’

Het is een vast refrein in je activisme, die meertaligheid.

‘Elkaar begrijpen begint met elkaars taal te willen begrijpen. In beide richtingen. Zes op de tien Brusselaars hebben een migratieachtergrond. Loop even op straat, binnen de minuut heb je tien verschillende talen gehoord. Dat is toch fantastisch? Taal is iets wat verbindt. Helaas overheerst in dit land het tegengestelde gevoel: dat taal iets is wat uitsluit. En dus lopen we onszelf ook vast in dat treurige taalpurisme, wat die meertaligheid alleen maar blokkeert – je durft nog minder fouten maken. Dat taaltrauma hier is historisch te begrijpen, maar het wordt dringend tijd om daarvan af te geraken. Laten we ons eindelijk meer met morgen dan met gisteren bezighouden.’

Niet elke migrant heeft je talent en kracht om snel talen te leren.

‘Ik word al te snel gezien als de uitzondering die de regel moet bevestigen. Maar ik ken veel vrienden die nog sneller dan ik hun talen hebben geleerd, en ze nog veel beter spreken. Zo vreselijk moeilijk is dat niet. We moeten er alleen over waken dat de liefde, de evidente honger naar andere talen, intact blijft. Mijn hart bloedt als ik zie hoe kinderen op Nederlandstalige scholen gestraft worden als ze op de speelplaats bijvoorbeeld Frans spreken. Frans blijft in Brussel, op de meeste plekken, de straattaal. Dat is gewoon zo, dat hoeft niet dramatisch te zijn, het ene hoeft het andere niet uit te sluiten. Een kind leeft en speelt intuïtief, en spreekt daarbij net zo intuïtief een taal. Als je gaat straffen omdat ze een welbepaalde taal niet of wel spreken, dan veroorzaak je trauma’s voor de rest van hun leven. Het enige wat je verkrijgt, is angst, om niet te zeggen afkeer, voor alles wat Vlaams en Nederlandstalig is. Jammer voor Vlaanderen, jammer voor Brussel, en bovenal jammer voor die jongeren die op hun vleugels gaan staan.’

Atheïstisch Albanië

Er is omgekeerd iets wat die vleugels net doet uitslaan: iemand die in je gelooft op momenten dat je dat zelf nog niet doet. Iemand die je toekomst groter en grootser ziet dan je zelf nog maar kunt verbeelden. Zo was er die lerares in Bleri Lleshi’s lagere school in Albanië. Ze zei hem dat hij schrijver zou worden. Daar was ze zelfs van overtuigd. Ze las dat in zijn opstellen – het was zijn woordkeuze, toon, ritme, zijn verbeelding. Hij vond dat raar, maar hij vond dat ook heerlijk. Hij blufte mee met haar voorspelling.

‘Na elke vakantie vroeg ze me welke schrijver ik deze keer gelezen had. Dostojevski, loog ik dan. Of Zola. Alleen al het feit dat ze me geloofde, vond ik geweldig. Maar alsof ik al die boeken thuis had. Mijn ouders waren arbeiders, we hadden het niet breed, en we woonden iets buiten de stad, zonder bibliotheek. Zelfs sommige schoolboeken had ik niet, laat staan wereldliteratuur.’

Maar Lleshi begon dankzij haar wel naar boven te kijken. Hij blufte voort, en uiteindelijk zijn eigen grenzen voorbij. Op zijn achttiende wist hij naar eigen zeggen nog niet veel, maar wel al dit: ‘Ik ga niet vooruit komen als ik niet in beweging kom.’ Hij had geen idee waarheen, alleen dat hij moest vertrekken. ‘Ik dacht, ik begin met Brussel, en vandaar reis ik verder de wereld in.’

Was er ook iets in Albanië waarvan je echt weg wou?

‘Er waren wel dingen waarmee ik het moeilijk had. Het patriarchale denken en soms de visie op vrouwen. Er hing, op verschillende vlakken, een conservatieve sfeer die me verstikte.’

Ook in je eigen familie?

‘Soms wel, in mijn brede familie. Maar niet in mijn eigen gezin. Ik ben mijn ouders dankbaar voor de opvoeding die ze me gaven. Ik heb de gedrevenheid van mijn vader, en het vermogen tot unconditional lovevan mijn moeder. Twee heel mooie, twee heel verschillende mensen. Mijn moeder is christelijk, mijn vader agnost. Zelf ben ik gelovig, maar niet godsdienstig. Ik ben altijd geboeid geweest door religies. Tegen mijn twaalfde had ik de Bijbel, de Thora en de Koran gelezen.’

Was je vader als agnost een uitzondering in zijn generatie?

‘In Albanië niet. Het land was lange tijd een atheïstische staat, weinig mensen hier weten dat. Er zijn weinig landen waar zoveel gemengde huwelijken voorkomen als daar. Ik las onlangs in een boek van Faik Konica, een grote Albanese intellectueel die begin vorig eeuw in Brussel heeft gewoond, over een gemengd koppel in de jaren 40: de vrouw was christen, de man moslim. Op vrijdag gingen ze naar de moskee, op zondag naar de kerk. Dat is al lang normaal in Albanië.’

Papegaaien kweken

Lleshi vond in Brussel de hele wereld, hij kon rustig blijven. Hij ging politieke wetenschappen studeren aan de VUB, daarna nog filosofie. Zijn diploma’s behaalde hij met grote en met grootste onderscheiding. Sindsdien werkt hij aan een doctoraat over ‘de strijd van de uitgeslotenen’. Dat doet hij tussen de vele bedrijven door, op eigen tempo, want ook op eigen benen: zonder beurs, zonder verbintenis aan iets of iemand. ‘Ik wil in alle vrijheid kunnen denken en schrijven.’

Het is de ondertoon van zijn hele bestaan, die vrijheid. Het is, zo maakte hij zich al meermaals boos, ook een van zijn grote ontgoochelingen in het ‘vrije Westen’: dat het dan toch zo vrij niet blijkt te zijn. ‘Het vrije Westen heeft een stevige promotiemachine om de wereld wijs te maken dat hier vrijheid heerst, en de westerlingen geloven heel graag dat er nergens meer vrijheid is en dat ze nooit zo vrij zijn geweest. Maar ik durf dat tegen te spreken. Onze levens zijn geprogrammeerd door werk, technologie, wetten en reglementen.’

Zelf neemt Lleshi het heel nauw met die vrijheid, en dus betaalt hij daar ook graag de prijs voor: geen vast inkomen, geen enkele eigendom. Liever de vrijheid dan de zekerheid. ‘Ik had na mijn studies, met mijn resultaten en profiel, een topjob bij de EU of een andere organisatie kunnen krijgen.’

Maar?

‘Die wou ik niet. Ik wil mezelf niet vastzetten in die ratrace. Ik wil mezelf niet laten gevangennemen door en voor mijn hoge loon. Ik wil mezelf vrijwaren om te blijven groeien en ontplooien tot de dag dat ik niet meer ben.’

Is dat de formule om te blijven groeien: het jezelf moeilijk blijven maken?

‘Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik het mezelf moeilijk maakte. Dat klinkt te heldhaftig. Ik heb alleen maar altijd gedaan wat ik graag deed, en daar zonder aarzelen voor gekozen.’

Dus ging je na je studies aan de slag als jongerenwerker in Brusselse probleemwijken.

‘Ik heb rare reacties op die keuze gekregen, maar het was echt wat ik wou. Toen ik hier pas aankwam, was ik nog niet zozeer begaan met Brussel, maar tegen de tijd dat ik afstudeerde, lag de stad me al erg na aan het hart. Zodra ik de problemen gezien en gevoeld had – één op de drie leeft in armoede, één op drie jongeren verlaat de school zonder diploma – kon ik niet meer onverschillig zijn. Ik kon niet meer terug, ik kon niet meer wegkijken. En dan begin je maar beter bij waar het begint: bij jongeren. Ik wou jongeren helpen hun passie te vinden. Als ze die beet hebben, zijn ze vertrokken. Dat vind ik een vreselijk minpunt in ons onderwijssysteem: dat je zo belachelijk vroeg moet kiezen. Wat weet je nu al op je twaalfde? Stel die leeftijd toch uit tot zestien. En laat kinderen eerst nog van alles proeven. Dat een kind in het beroepsonderwijs nauwelijks iets over geschiedenis komt te weten, dat vind ik schandalig.’

Geef je zelf les?

‘Ik doe niets liever. Ik was ermee gestopt om me ten volle te wijden aan mijn boek De neoliberale strafstaat, dat vorig jaar verscheen. Maar ik wil het opnieuw. Ik gaf vroeger onder meer “filosofie” en “economie 2” aan studenten sociaal werk. Als ik ze in de eerste les vroeg wat ze in “economie 1” hadden gezien, was het antwoord: “Dat weten we niet meer”. Alles vanbuiten geblokt, en na het examen alles weer vergeten. Zo zitten haast alle studies in elkaar: we kweken papegaaien. Terwijl studeren vooral toch moet dienen om kritisch te leren nadenken.’

‘Mijn lessen bestaan grotendeels uit gesprek. Uit leren begrijpen wat de andere zegt, leren argumenteren. Ook mijn register of niveau pas ik niet aan, als ik met mijn studenten spreek. Dat is vaak schrikken voor hen, merk ik. Maar ik wil ze ernstig nemen, ik probeer de mogelijkheden aan te spreken die ik in de jongere zie. Er is nood aan dat soort lesgeven. Ik krijg meer en meer de vraag, zomaar, van hogeschoolstudenten om hen les te geven. Maakt niet uit waarover. Omdat ze op hun honger zitten in de traditionele systemen. Daarom heb ik grassroots-projecten zoals de leergemeenschap Roots&Critique in het leven geroepen. Een lessenreeks waarin we focussen op maatschappelijke thema’s en auteurs als Paulo Freire en Bell Hooks.’

Nog geen zin gehad om je activisme politiek te vertalen?

‘Ik hou niet van het kortetermijndenken van de politiek. Ik ben ook een te vrije ziel om in de politiek te gaan. Ik wil mezelf kunnen blijven. Of beter: ik wil kritisch kunnen blijven voor mezelf, dat is mijn belangrijkste principe. Liever dan dus zelf het spel te spelen, heb ik invloed op politici. Via mijn boeken bijvoorbeeld. Heel wat politici en de leiding van zowat alle vakbonden hebben De neoliberale strafstaat gelezen. Het ACW is nu aan het nadenken hoe ze het laatste hoofdstuk naar de praktijk kunnen vertalen. Dat soort invloed wil ik hebben.’

On-Vlaams boos

Ook voor dat middenveld is Lleshi trouwens kritisch. Zijn boek mag zich dan opwinden over de puinhoop van 30 jaar neoliberalisme, en over de strafstaat die oprees uit de ruïnes van de welvaartsstaat, toen hij speechte op een van de eerste Hart boven Hard-bijeenkomsten zette hij een domper op de feestvreugde. ‘Ik ben verontwaardigd en ontgoocheld in politici,’ sprak hij, ‘maar minstens evenveel in onszelf: al die mensen van het brede middenveld die het zover hebben laten komen. We hebben staan toekijken, we zijn gepacificeerd. We zijn niet in verzet gekomen.’

En zo ging dat nog even door. Niet alle aanwezigen vonden het knus de luis in de pels te voelen kruipen. ‘Ik weet het, maar ik kan niet anders. Als ik zeg dat zelfkritiek mijn belangrijkste principe is, dan meen ik dat. Ik weet best dat ik daardoor al kansen heb verkeken. Dat die stijl niet door iedereen wordt gesmaakt. Dat sommigen mij te hard vinden roepen. Dat ik on-Vlaams boos klink. Maar ik ben natuurlijk niet boos, ik ben verontwaardigd en gedreven.’

Zie je dat dan als een verwijt, als ze je boos noemen? Misschien is het net wel iets schoons: nog boos kunnen worden bij wat je fout ziet lopen.

‘Boos klinkt alsof het in de eerste plaats over mezelf gaat. Ik zie het liever als verontwaardiging en gedrevenheid. Als de nood om in verzet te komen, om er iets aan te doen en te veranderen.’

Lleshi’s meest mediagenieke verzet tot nu toe is het platform #DailyRacism. In maart lanceerde hij op de Internationale Dag tegen Racisme en Discriminatie een oproep om op sociale media consequent over dagelijks racisme te rapporteren. De respons was immens. En net nog lanceerde #DailyRacism tien aanbevelingen om dat dagelijkse racisme dan eindelijk eens aan te pakken. Aanbeveling 1: tijdelijke quota voor mensen met een migratieachtergrond.

‘Dat wordt onvermijdelijk. En niet alleen voor racisme. Ook als het over seksisme gaat, moeten we wakker blijven. Als ik gevraagd word voor een debat, wil ik altijd weten wie de andere sprekers zijn. Als er geen vrouwen in het panel zitten, weiger ik. Pertinent. Deed iedereen dat, dan zou je het snel zien veranderen. Ik vind het maar logisch: als ik kritiek geef, moet ik ook oplossingen aandragen. En naar die oplossingen leven.’

Over één onovertroffen oplossing die we in eigen handen hebben, is hij dezer maanden een essay aan het schrijven: de liefde. Want ‘in tijden van angst is liefde het meest concrete alternatief dat we hebben’.

Je roept op tot ‘een liefdessamenleving’.

‘Ik zie liefde als de enige manier om uit de angstkramp te geraken. De angst is ons ingegroeid, ze is genormaliseerd. Gisteren was hier een Braziliaanse vriendin met haar dochtertje op bezoek. We gingen naar het park, haar dochtertje zag er een ander meisje, riep luid “meu amiga!”, en liep er meteen op af om haar een knuffel te geven. Superlief bedoeld, maar dat Brusselse kindje en haar moeder krompen ineen.’

‘Je kunt ze dat niet kwalijk nemen, het is hoe we hier geprogrammeerd zijn. Maar als we niet opletten, gaan die angst en dat wantrouwen zich tegen ons keren. We vertrouwen op de duur onszelf niet meer. En dan is het einde zoek. We moeten dringend onszelf weer liefhebben. Zelfliefde is cruciaal om onze plek in de wereld te vinden. Helaas zijn we hier zelfliefde gaan verwarren met doorgeslagen vormen ervan: met egoïsme, met narcisme. We zijn geobsedeerd door onszelf, maar we zien onszelf niet meer graag. Dat is een ziekmakende paradox.’

En typisch westerse paradox?

‘In Albanië ben ik opgegroeid in een “wij”-cultuur. Je eigen belang moet er vaak plaats ruimen voor dat van het collectief: het gezin, de familie, de gemeenschap. Ik ben heel blij dat ik die opvoeding in mij draag. Tegelijk werkte het soms verstikkend, dat wegcijferen van je eigen persoon ten voordele van de groep. Het verhindert je te groeien en open te bloeien.’

‘Hier, in het “vrije Westen”, ontdekte ik de compleet tegenovergestelde cultuur: het eigen belang en de eigen ontplooiing die zo vaak en overal voorop staan. Het is een individualisme dat totaal ontspoord is. We lopen over lijken, en merken dat nauwelijks nog op.’

‘Wat we nodig hebben, is een gezonde mix van beide culturen. Als we vinden dat elke mens het recht moet hebben om zichzelf te ontplooien, dan kunnen we niet alleen maar bezig zijn met onszelf. Willen we aan onszelf denken, dan moeten we aan de ander denken. En omgekeerd. Het is een stapje naar voren, een stapje naar achteren, maar wel arm in arm. Het is dansen.’

Uit De Standaard, Weekblad 04 JULI 2015 | Interview door Guinevere Claeys, fotoJimmy Kets

https://blerilleshi.wordpress.com

https://www.facebook.com/Bleri.Lleshi

@blerilleshi

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s