Home

hannah-boakyeWe schuiven aan. Ik sta in de juiste rij. Voor mij zie ik een mooie, oude Noord Afrikaanse man, twee meisjes met hun scoutsuniform aan, een vrouw met haar baby en een man in een rolstoel.  Achter mij staan twee oudere dames gezellig te praten. Ze zien er schattig uit.

Ik hou wel van stemmen. Of eerder van het moment dat je staat te wachten en de spiegel van je buurt ziet. Het geeft me energie. Het moment dat we allemaal hetzelfde moeten doen op dezelfde dag, het enige moment dat al mijn buren van verschillende leeftijden en achtergronden samenkomen, wachten en stemmen. Iedereen gelijk. Ik denk dat het de diversiteit is die maakt dat ik er zo van hou. Onderzoekende blikken vliegen in het rond, zoekend naar het stemgedrag  van de ander. Alsof je kan achterhalen voor wie iemand stemt door ernaar te kijken. Misschien, ja. Al zit ik er vaak naast.

De man in de rolstoel voor mij in de rij is al de hele tijd onrustig. Hij kijkt rond, maar vindt niet wat hij zoekt. Wanneer ik hem vraag wat er aan de hand is, vraagt hij me in welke rij we aan het aanschuiven zijn. Hij blijkt in een ander stemhokje te moeten stemmen en zodoende in de verkeerde rij te staan. Vermits ook ik niet meteen zie waar de rij is waar hij naartoe moet –een school als stemplaats kan op zo’n moment best een doolhof zijn-, vraag ik vriendelijk aan de dames achter mij of zij dit misschien weten. “Seg, juffrouwke, kunt ge ni lezen misschien? Da moet ge zelf weten hé!” is het antwoord dat ik krijg. Wanneer ik naar de vrouw naast haar kijk, in de hoop op een andere reactie, krijg ik enkel een vieze, minachtende blik toegeworpen. Ik sta versteld. Vanwaar deze onvriendelijke reactie? Ik probeer het te relativeren. Misschien hebben ze gewoon een slechte dag? Of misschien zijn ze in het algemeen gefrustreerd en onvriendelijk? Maar ik moet de situatie niet verbloemen. Ik moet de waarheid onder ogen zien; deze dames waren heel de tijd gezellig met elkaar en anderen achter hen aan het praten!

Ongewild gaan mijn gedachten een richting op: doen ze zo tegen mij omdat ik een bruine huidskleur heb? Door naar hen te kijken had ik geen oordeel gevormd – integendeel, het zag er gezellig uit hoe ze zo aan het keuvelen waren – waarom zij dan wel over mij? Mijn positieve gemoedstoestand begint te koken. Wie denken die dames wel dat ze zijn?!

En dan te bedenken dat ik gewoon de man in rolstoel voor me wil helpen. Ik zeg de man dat ik voor hem het juiste lokaal zal zoeken. “Dat is niet nodig”, zegt hij. Hij is er van overtuigd dat hij het zelf kan vinden en bedankt me. Jammer, nu sta ik enkel nog met die twee gefrustreerde dames achter me. Ik maak deze situaties amper mee, hoe reageer ik hier nu het beste op?  Ik besluit die negatieve energie achter mij geen aandacht te geven.

Stapvoets gaan we vooruit, af en toe een bekend gezicht dat vriendelijk dag zegt, maar ik ben aan het dromen, mijn gedachten dwalen af. Van mijn opgewekte gevoel is niet veel meer over. Deze dames zijn ook een onderdeel van de ‘spiegel van mijn buurt’ en dat kan ik moeilijk plaatsen. Zou het nu écht om mijn huidskleur gaan? Ik kan maar geen andere reden bedenken, want tegen andere mensen zijn ze wel vriendelijk. Is hun wereld zo klein dat ze niet beseffen dat bruin zijn én in België wonen, om heel veel verschillende redenen kan zijn? Zouden ze er bij stilstaan dat ik een blanke moeder heb? Dat ik perfect Nederlands spreek? Dat ik ook mijn schoentje voor Sinterklaas zette en naar Samson keek? Dat ik ook de krant lees? Dat wij op zondag ook frietjes eten? Dat ik ook verliefd, blij, jaloers en verdrietig kan zijn? En wat dan nog?! Mijn gedachten draaien op volle toeren. Vanwaar die bewijsdrang? Ik ben kwaad op mezelf. Vanwaar die bewijsdrang! Waarom zou ik me überhaupt moeten verantwoorden tegenover deze dames?

De confrontatie is groot. Ik word geconfronteerd met mijn huidskleur, terwijl ik daar zelf amper bij stil sta. Ik word aan het wankelen gezet door iemand anders dan mezelf. Ik voel me niet zwart, ik voel me niet blank, ik voel me eigenlijk ook niet bruin, ik voel me niet in kleuren, ik voel me gewoon Hannah. Ik kijk niet naar de kleur. Ook niet bij anderen. Dat is niet nodig.

De dames die ik tot nog toe had genegeerd, staan nog steeds achter mij.

Wat doe ik hier nu het beste mee? Poging twee tot relativeren: iedereen heeft zijn eigen achtergrond en leefwereld en reageert daarom ook op zijn eigen manier. Zo is het voor die dames misschien evident om op die manier te reageren? Ik vind het moeilijk om zo te denken. Ik weet alleszins wel dat ik de weg van ‘onvriendelijk reageren’ niet wil opgaan.

Het is mijn beurt om te stemmen. Ik ga het stemhokje binnen. Ik stem en ben al weer buiten voor ik het weet. Daar moest ik dan zo lang voor wachten. Niemand die weet op wie ik heb gestemd. Al dat geheime gedoe. Ik kijk nog eens naar de gefrustreerde dame. Haar vriendin is al binnen, zij wacht nog. Wanneer ik merk dat ze me ziet, wens ik haar vriendelijk een fijne dag verder. Het lijkt me nuttiger me niet te laten leiden door kwaadheid of mee te gaan in de frustratie, maar juist vriendelijk te zijn tegen deze onvriendelijke dame. Wie weet zet dat haar aan het denken en verandert het iets aan haar perspectief.

Hannah Boakye is columniste. Haar column Relatieve realiteit verschijnt maandelijks op Bleri Lleshi’s blog.

http://crossingtheborders.tumblr.com

Volg de columns op

https://blerilleshi.wordpress.com/

https://www.facebook.com/Bleri.Lleshi

@blerilleshi

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s