Home

bleri-lleshi-studioschrever-1Van wetenschappers tot opbouwwerkers, haast iedereen die met kennis van zaken met armoede bij etnisch-culturele minderheden bezig is, wijst op de socio-economische oorzaken van het probleem. Toch willen beleid, media en publieke opinie het enkel over de kennis van het Nederlands en culturele factoren horen. Van waar die culturalisering van gekleurde armoede? TerZake sprak erover met Bleri Lleshi.

Lleshi is volop bezig met zijn tweede boek waarin hij ‘De neoliberale strafstaat’ wil fileren . Toch maakt hij graag tijd voor TerZake. Als actieve Brusselaar ziet hij dagelijks dat het armoede probleem van Brusselse gezinnen met een migratieachtergrond dramatisch stilaan wordt. Een van de grote problemen daarbij is dat we het in het publieke debat niet meer over de echte oorzaken, namelijk de socio-economische factoren, hebben. De media dragen op dat vlak een enorme verantwoordelijkheid. Daarom vindt Lleshi het hoog tijd voor een tegenbeweging.

Griekse toestanden in Brussel

Nog niet zo lang geleden was Bleri Lleshi jongerenwerker in Brussel. De hoofdstad is trouwens nog steeds zijn terrein als activist. Daardoor heeft hij een goede kijk op hoe groot de problemen er zijn. ‘De armoede neemt in Brussel stilaan dramatische proporties aan. Het Observatorium voor Gezondheid en Welzijn van Brussel Hoofdstad publiceert elk twee jaar een armoede rapport. Ik ken de exacte percentages niet meer, maar in 2012 bleek dat bijna een derde van de Brusselaars moet rond zien te komen met een inkomen onder de armoedegrens. Er wordt met minder drama over gesproken, maar dat zijn cijfers die gelijkaardig zijn aan de aantallen in crisislanden als Griekenland of Spanje. Bovendien zie je in de opeenvolgende rapporten dat de toestand jaar na jaar nog verergert. Als je het dan specifiek over armoede bij mensen met een migratieachtergrond hebt, moet je je er bewust van zijn dat er zeer veel verdoken armoede bestaat bij die groepen. Er heerst bij hen immers zeer veel schaamte voor hun situatie. Het gaat om families waar man noch vrouw werkt en waarbij de scheidingscijfers ook zeer hoog liggen.

Als je naar de Marokkaanse gemeenschap alleen al kijkt, ligt het percentage van getrouwde koppels die uit elkaar gaan, bijna even hoog als bij de Belgen. De redenen daarvoor zijn complex. Het is waar dat een partner die met andere verwachtingen en een andere mentaliteit uit het thuisland gekomen is, al eens voor conflicten zorgt. Maar dat is maar een klein deel van het verhaal. Net als in andere gezinnen komen relaties onder druk te staan als er niet voldoende geld is om op een fatsoenlijke manier rond te komen.’

Lleshi maakt zich daarbij vooral zorgen over het stijgend aantal alleenstaande moeders. ‘Toen ik nog als jongerenwerker aan de slag was, kwam ik vaak in contact met de meest kwetsbare groepen. Het ging vaak om gasten die met het gerecht in aanraking waren gekomen. Daarvoor kwam ik vaak bij hen thuis om met hun ouders te overleggen. In het jaar dat ik daarmee bezig was, heb ik amper een vader gezien. De hele verantwoordelijkheid kwam dus op de nek van die moeders terecht. Samen met alle financiële en andere problemen waarmee deze vrouwen kampen, is dat een haast bovenmenselijke taak. Officiële instanties moeten daar rekening mee houden.

Scholen, bijvoorbeeld, hoor ik al te gemakkelijk praten over welke verantwoordelijkheden ouders allemaal hebben. Voor middenklasse gezinnen kan dat kloppen, maar niet voor jongeren in armoede is dat niet realistisch. Zo’n uitspraken bewijzen enkel dat deze instanties geen idee hebben over de situatie waarmee deze kinderen thuis kampen.‘

Culturalisering, de grote overwinning van het Vlaams Blok

Als we naar de oorzaken van armoede bij etnisch-culturele minderheden vragen, verwijst Lleshi net als de meeste andere specialisten naar socio-economische factoren. ‘De werkloosheid bij migrantenjongeren is hoger dan 30 procent. Zowel hoog- als laaggeschoolden blijven achterop hinken. Uit PISA-cijfers blijkt nu al jaren dat ons onderwijssysteem het slechts van alle OESO-landen scoort als het op gelijke kansen aankomt. Discriminatie op de huisvestingsmarkt is meer regel dan uitzondering. Dat zijn allemaal zaken die zwart op wit aangetoond zijn.’

Deze processen van achterstelling en uitsluiting vind je in alle Westerse landen terug. Toch lijken ze in België nog meer schade toe te brengen dan elders, getuige ook een recent rapport van de OESO dat de armoedegraad en sociale ongelijkheid van migrantengezinnen in België beduidend hoger ligt dan in andere landen.[1] Als we Lleshi vragen hoe dat komt, verwijst hij naar Antonio Gramsci en zijn theorie van culturele hegemonie. ‘Een marxistische filosoof die vandaag relevant is. Zeer grof ongenuanceerd gesteld, bedoelde Gramsci met culturele hegemonie dat de dominante groep in de samenleving erin slaagt om verklaringen die haar het best uitkomen, in een samenleving door te drukken als de enige juiste manier van denken. Andere meningen komen niet meer aan bod of worden als absurd bestempeld. Door dit systeem van culturele waarden worden mensen die sociale verandering nastreven buiten de orde geplaatst. Je kunt dit perfect toepassen op debat in Vlaanderen.

Als het over armoede bij mensen met een migratieachtergrond gaat, mag je het haast niet meer over de echte oorzaken van het probleem hebben. Er heerst een taboe op de socio-economische factoren die aan armoede, en meer specifiek aan armoede bij etnisch-culturele minderheden, ten grondslag liggen. Bij ons wordt je scheef bekeken als je beweert dat socio-economische problemen misschien wel eens socio-economische oorzaken zouden kunnen hebben. Als je dat nog maar suggereert krijg je het verwijt dat je een politiek-correct pamperbeleid voorstaat dat zijn tijd gehad heeft. Ik stel me alleen de vraag: als de migranten en de armen in dit land gepamperd worden, waarom is hun situatie dan zo dramatisch slecht?’

Die culturalisering van problemen is volgens Lleshi niet altijd zo dominant geweest. ‘In wezen is dat de grote overwinning van het Vlaams Blok. Tot eind jaren tachtig, begin jaren negentig was er in dit debat ruimte om het over de socio-economische factoren te verwijzen, maar onder impuls van Filip De Winter en de zijnen heeft er zich een enorme omslag in het discours voorgedaan. Vandaag hebben we het enkel nog over taal, cultuur en religie. Dat de andere anders is, wordt vandaag alleen nog maar geproblematiseerd. Als mensen mij hun culturalistische verklaring voorleggen, vraag ik ze wel eens waarom de Turken in Duitsland het zo veel beter doen dan de Turken in België. Het gaat om twee groepen die uit dezelfde regio in Turkije met dezelfde culturele achtergrond. Daar krijg ik dan geen antwoord op.’

Wil dat dan zeggen dat Lleshi het belang van culturele elementen volledig ontkent? ‘Nee natuurlijk niet. Ik weet wel dat taal, cultuur, traditie, gewoonten en religie belangrijk zijn. Ik heb zelfs een boek aan het thema gewijd.[2] Wat wil je nog meer? Wat ik wel zeg dat het op dit ogenblik levensnoodzakelijk is om het op de eerste plaats over de socio-economische problemen en uitdagingen te hebben. Daar ligt nu de prioriteit’

De media

Lleshi is ervan overtuigd dat de rol van de media amper te overschatten is: ‘De publieke opinie is er in steeds sterkere mate van overtuigd dat de oorzaken van de meeste maatschappelijke problemen bij de culturele en religieuze verschillen van mensen met een migratieachtergrond liggen. Als het over armoede gaat, maakt paradoxaal genoeg ook het individueel schuldmodel een enorme opgang. Mensen hebben daar enorm sterke opvattingen over. Maar hoe komen ze daaraan? De gemiddelde Vlaming komt niet of nauwelijks met armoede of met etnisch-culturele minderheden in contact. Het komt natuurlijk door het simplistische beeld dat ze door de media ingelepeld krijgen. Als ik deze bedenking luidop maak, reageren mensen trouwens erg kwaad. Je krenkt hun trots als je beweert dat ze hun politieke mening niet helemaal zelf gevormd hebben. Nochtans is dat niets om beschaamd over te zijn. De sociale realiteit is enorm complex. Je hebt veel studie nodig om je er volledig in te verdiepen. De meeste mensen hebben daar geen tijd voor omdat ze moeten werken. Het is juist dat waar we journalisten voor betalen, maar die nemen hun rol niet meer op een correcte manier op.’

Moeten we dan in een complottheorie geloven waarin de journalisten ons hun mening willen opdringen? ‘Er zijn zeker wel enkele reporters die meer aan politiek, dan aan journalistiek doen. Namen? Die moet je zelf maar invullen’, knipoogt Lleshi, ‘want daar gaat het me hier niet om. Trouwens journalistieke objectiviteit is een mythe. Iedereen heeft zijn overtuigingen en zal die, bewust of onbewust, laten doorschemeren. Een goede journalist is iemand die dit toegeeft en hiermee omgaat door binnen zijn subjectiviteit zo objectief mogelijk te zijn. Maar het is dus  geen zaak van personen, maar van een heel systeem. Door de commercialisering van media moet alles sneller gaan met minder volk. De winst, weet je wel. Dat zorgt ervoor dat journalisten niet meer de tijd hebben om zich in een thema in te graven en alle nuances te verkennen. Hoe wil je dan dat ze tegen een cultureel hegemonisch denkbeeld ingaan waar ze nota bene zelf in ondergedompeld zijn?’

Maar er zijn toch wel nog journalisten sociale thema’s kritisch belichten. ‘Inderdaad’, geeft Lleshi toe, ‘en je kunt ze bij naam noemen, wat bewijst dat mijn analyse klopt. Die personen hebben zowel bij het grote publiek als bij hun collega’s het etiket van “linkse journalist”. Zeker nieuwkomers in het vak hebben daar geen zin in. Het systeem houdt zich trouwens in stand. Vergeet niet dat de oudere journalisten de jongere op de werkvloer opleiden. Tien jaar geleden had je hier en daar nog iemand die aan de alarmbel trok, maar dat is voorbij. Je hebt nu een jongere generatie journalisten die zich van geen kwaad bewust is en in alle eerlijkheid overtuigd is van zijn eigen objectiviteit. Je kunt hen dat niet kwalijk nemen. Waar zouden ze het geleerd hebben. In hun opleiding? Wie denk je dat de docenten zijn in opleidingen journalistiek? Opnieuw die oudere journalisten natuurlijk.’

Een tegenbeweging

De analyse van Lleshi toont een amper te manoeuvreren systeem. Ziet hij dan geen mogelijkheid om dat dominante culturalistische discours te doorbreken? Lleshi blaast en geeft aan dat dat niet makkelijk wordt. ‘Mensen en organisaties die sociale verandering willen, moeten de handen in elkaar slaan en een tegenbeweging opzetten. Een tegenbeweging moet op drie niveaus vorm krijgen: de mensen uit de doelgroep, het maatschappelijke middenveld en de politiek. Laat ik beginnen met de mensen uit de doelgroep. Het spreekt voor zich dat zij betrokken moeten worden. Niet alleen omdat het ethisch onverantwoord is om boven hun hoofden heen over hen te spreken, maar vooral ook omdat zij hun realiteit het beste kennen. Hoe moeten zij leven? Op welke problemen stuiten ze? Wat is er nodig om hun situatie te verbeteren? Als je naar hen luistert, hoor je dat culturele factoren een rol spelen, maar dat ze toch vooral op socio-economische drempels botsen. Ik ben ervan overtuigd dat je politici die dit ontkennen, veel pijn kunt doen door hen in debat te laten gaan met de mensen die de problemen dagelijks ervaren. Als je die mensen en hun realiteit zichtbaar maakt, wordt het onhoudbaar om een louter culturalistisch discours vol te houden. Stel je maar eens voor dat er morgen een betoging de straat op trekt van alle Brusselse jongeren in armoede. Politici zouden moeten reageren. Voorwaarde daarvoor is natuurlijk wel dat je mensen in een kwetsbare positie bewust maakt van het feit dat de politiek een impact op hun leven heeft. Je moet hen niet alleen naar de politiek brengen, maar de politiek ook naar hen.’

Volgens Lleshi is het onder andere de taak van het middenveld om mensen opnieuw bewust te maken van het belang van politiek. ‘Maar daarvoor moet dat besef eerst bij de sociale organisaties zelf groeien. Enerzijds snap ik wel vanwaar dat gebrek aan politiek inzicht komt. Onze hele samenleving is gedepolitiseerd. Zelfs onze politiek is gedepolitiseerd. De grote partijen zijn het in wezen over de grote economische vragen eens en als het erop aankomt, blijken onze toppolitici naar de pijpen van multinationals te dansen. Anderzijds val ik soms stijl achterover wanneer ik zie hoe weinig politieke uitspraken het middenveld nog doet. Ze nemen opdrachten van de overheid aan, die lijnrecht tegen hun eigen emancipatorische missie ingaan en politici niet meer tegen te spreken uit schrik hun subsidies te verliezen. Bovendien gaat er nog veel mis op het vlak van communicatie. Veel sociale organisaties leveren prachtig werk, maar weten niet hoe ze dat moeten verkopen. Ik ken tal van Brusselse jongerenorganisaties die fantastische dingen doen met die gasten, maar niemand weet dat omdat de communicatie hierover, als die er al is, zo amateuristisch is. Als je je doelgroep dichter bij politici wil brengen, dan zal dat beter moeten. Je moet als organisatie aan de politiek en het grote publiek duidelijk laten zien: wij staan achter die migranten in armoede, en zij staan achter ons.’

Tenslotte wijst Lleshi op het politieke niveau. ‘Sommigen zullen het niet graag horen, maar aan het einde van de rit heb je wel politici nodig die dapper genoeg zijn om socio-economische maatregelen te nemen. Daarom moet het middenveld partnerschappen opzetten met politici die van goede wil zijn. Misschien zullen het in eerste instantie niet diegenen zijn de macht hebben, maar dat doet er niet toe. Dat komt wel. Het is zaak win-win-situaties te creëren. Oppositieleden willen de meerderheid het vuur aan de schenen leggen, maar hebben niet altijd de nodige kennis van concrete sociale thema’s. Het middenveld kan die hen leveren. Ikzelf heb een tijd geleden de hongerstaking van een aantal mensen zonder wettig verblijf gecoördineerd aan de VUB. We wilden laten zien dat deze mensen ondanks alle stoere verklaringen van het beleid, hier aanwezig zijn. Tot mijn grote teleurstelling heeft geen enkele middenveldorganisatie zich nog maar in onze lokalen laten zien. Maar nu nog krijg ik soms telefoon van parlementaire medewerkers, die vragen hebben over de situatie van mensen zonder papieren. Ik do dat graag, maar vind het niet normaal dat die mensen naar mij bellen. Ik ben een activist, terwijl dit een taak is voor het middenveld.’

Interview / Geert Schuermans

Foto © Studio Schrever

TerZake maart 2013

Wie het cahier TerZake wil bestellen

http://www.samenlevingsopbouw.be/site/index.php?option=com_content&task=view&id=624&Itemid=1

https://blerilleshi.wordpress.com/

https://www.facebook.com/Bleri.Lleshi

@blerilleshi


[1] OECD (2012) ‘Settling In: OECD Indicators of Immigrant Integration 2012’, OECD, Paris, 3 December 2012, 173p.

[2] Lleshi B., Van den Bossche M. (2010)’Identiteit en interculturaliteit. Identiteitsconstructies bij jongeren in Brussel’, VUBPress, Brussel, 219 p.

2 thoughts on “Interview in TerZake: ‘De socio-economische oorzaken van armoede zijn taboe’

  1. Interessante en correcte analyse. Dit interview zouden we moeten lezen in de mainstream media.

  2. Stuur dit op naar burgemeester van Antwerpen die vandaag in de krant over armoede in A klaagt maar geen plan heeft een ook geen bal van begrijpt.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s