Home

‘Jongeren die uitgesloten worden en geboren zijn in een gezin dat leeft onder de armoedegrens – hoe kunnen die verantwoordelijk worden gehouden voor hun lot?’ Een wandeling met de filosoof Bleri Lleshi door de Brusselse probleemwijk Anderlecht.

De tram is stampvol. Achter ons staan twee jongetjes. Ze vallen ons pas op als ze zich op het laatste moment door de deuren naar buiten wurmen. De tas van onze fotograaf is open; een van zijn camera’s is gestolen. Het begint goed.

We zijn op weg naar de Brusselse probleemwijk Anderlecht, berucht vanwege de rellen die er regelmatig plaatsvinden. Voor de zekerheid heb ik mijn sieraden en laptop vandaag maar thuisgelaten. Mijn vader, die in Brussel woont, had me gewaarschuwd toen ik hem vertelde dat ik voor dit interview de probleemwijken in zou gaan. ‘De politie komt daar niet als er iets gebeurt, hoor. Ik zou er niet heen gaan.’

Dat veel mensen de wijken nu mijden omdat ze bang zijn, is vooral de schuld van de media en van de politiek, volgens filooof en politicoloog Bleri Lleshi. ‘Die stigmatiseren de wijken door de beelden waarmee ze ons bestoken. Journalisten en politici zijn na de rellen de wijken in gegaan om zo veel mogelijk narigheid te spotten.

De positieve dingen die er ook gebeuren vallen zo in het niet. Bovendien blijft de Brusselse overheid alle problemen verklaren vanuit het verschil tussen allochtonen en autochtonen. De Brusselse samenleving is divers, en wordt steeds diverser. Daar zouden we ons voordeel mee kunnen doen, maar in plaats daarvan wordt in het debat over die diversiteit gegrepen naar begrippen als “inburgering” en “integratie”. De diversiteit wordt gezien als een problem dat gemanaged moet worden. Op die manier sluit Brussel ze gewoon buiten.’

In de steek gelaten

Dat is oneerlijk, stelt Lleshi. ‘Want een eenvoudige andere manier om de rellen te verklaren, is door de hand in eigen boezem te steken. Er zijn wijken waar de Brusselse overheid al tientallen jaren niet in heeft geïnvesteerd. Dat, in combinatie met het feit dat die wijken in de media alleen getoond worden als problematisch, en zonder kansen, zorgt ervoor dat ondernemers daar geen bedrijven meer beginnen, die buurten steeds armer worden en de problemen steeds groter. De overheid heeft de jongeren die daar wonen verworpen, gedaan alsof ze niet bestonden. Het is niet vreemd dat de jongeren dan op een gegeven moment hetzelfde gaan doen, namelijk leven alsof de overheid niet langer bestaat. De jongeren voelen zich in de steek gelaten door de politiek en misbruikt door de media om steeds hetzelfde beeld in stand te houden. Ze zijn hun leven op een andere manier gaan organiseren. Onder andere binnen de criminaliteit.’

Lleshi werkte in 2008 mee aan het project ‘Ideaal Brussel’, een onderzoek onder verschillende bevolkingsgroepen naar visies op samenleven met de ander in een diverse stad. Ook ging het onderzoek over het vermogen kritisch na te denken over de eigen rol in zo’n stad. Hij schrijft erover in het boek Identiteit en interculturaliteit, een verzameling teksten over de totstandkoming van identiteit, onder redactie van Lleshi zelf en filosoof Marc Van den Bossche.

Uit het onderzoek voor ‘Ideaal Brussel’ bleek dat de meeste jongeren zichzelf helemaal niet zien als allochtoon of autochtoon, maar dat identiteit dynamischer, complexer en meer gelaagd is dan in de mees te debatten wordt voorgesteld. Lleshi: ‘Religie en afkomst zijn maar twee van de mogelijke bouwstenen voor identiteit. De meeste jongeren, ook de allochtonen, zien zichzelf als hiphopper, skater en of rocker, Belg, Vlaming of Waal, man of vrouw, liberaal of socialist, universitair of arbeider enga zo maar door. De bouwstenen voor identiteit zijn bijzonder divers, en dat geldt voor iedereen.’

We stappen uit in kuregem, in de wijk Anderlecht, waar een nederlandse nOs-ploeg in februari nog werd aangevallen door een groep jongeren, nadat die de diefstal van een portemonnee en een arrestatie had vastgelegd. Van daaraf lopen we naar het metro-station St.-Guido, berucht vanwege de rellen die er in 2008 plaatsvonden. Onderweg passeren we een tramhalte die de naam Het Verzet draagt. Een spannende wijk dus, maar op het moment dat we er lopen valt er weinig crimineels of bedreigends te zien.  Behalve dat de mensen die we tegenkomen zonder twijfel niet zo’n rijk gevulde beurs hebben, en we af en toe een groepje verveeld en ongelukkig uitziende hangjeugd tegenkomen, worden we door de meest mensen die ons passeren vriendelijk toegeknikt en poseert een enkeling zelfs ongevraagd voor de fotograaf, die gelukkig een tweede camera bij zich heeft. De winkels zijn van het kaliber dat je tegenkomt in minder rijke steden. Er straalt geen rijkdom  vanaf, maar ze zijn wel gezellig. De producten zijn goedkoop, de groenteboeren gebruind, met één tand en met de handen van harde werkers.

‘Zestig procent van de inwoners van Brus- sel is geen Belg’, vertelt Lleshi. ‘Maar de diversiteit is niet geïnstitutionaliseerd. Het Brusselse onderwijs is bijvoorbeeld goed voor de autochtone Belg, maar heeft weinig te maken met de Brusselse realiteit. Voor migranten blijkt het zelfs behoorlijk waardeloos te zijn: een kwart van de jongeren verlaat school zonder diploma. Aan één kant heeft dat natuurlijk te maken met de taal: kinderen van migranten gaan vaak niet naar crèches, maar naar hun opa’s en oma’s. tegen de tijd dat ze naar school gaan, hebben ze een taalachterstand die bijna niet meer goed te maken is. Aan de andere kant doet de Brusselse overhead niets om migranten te stimuleren hun kinderen naar de Brusselse crèches te sturen. Er is zelfs een grote achterstand in de kinderopvang. Er zijn gewoon te weinig crèches.’

Gelijke behandeling

De oplossing van de problemen ligt in de gelijke behandeling, volgens Lleshi, zowel in sociaal als in economisch opzicht. nu neemt de sociale ongelijkheid in de stad immers steeds meer toe. De rijkste (sint-Pieters-Woluwe) en de armste (sint-Joost-ten-node) wijken van Brussel liggen zelfs naast elkaar, om dit pijnlijke verschil maar even aan te duiden. En Brussel doet niets. ‘Het grootste probleem is dat de burgers zelf voor hun lot verantwoordelijk worden gehouden, terwijl  hun kansen niet gelijk zijn. Hoe kunnen jongeren die geboren worden in een gezin onder de armoedegrens en uitgesloten worden, verantwoordelijk zijn voor hun lot? Ze gaan naar zwarte scholen en worden gestigmatiseerd. Er zijn geen gelijke kansen. De overheid zou meer moeten investeren in de  probleemwijken.’

Maar, zegt Lleshi, deze sociale en economische achterstand is in het huidige, zogeheten integratiedebat geen issue. In Identiteit en interculturaliteit beschrijft hij hoe dat debat namelijk is ‘geculturaliseerd’: het gaat over loyaliteit van migranten en hun nakomelingen aan ‘onze’ natie en cultuur, en over hoe ‘hun’ waarden botsen met de ‘onze’.

Lleshi illustreert dat aan de hand van het begrip ‘burgerschap’. Vroeger stond burgerschap voor een emancipatoir ideaal; een goede burger was een geëngageerde en geïnformeerde burger, die vooral streed voor zeggenschap en gelijke rechten. Iedereen, ongeacht zijn culturele (of religieuze) achtergrond, kon die strijdbare burger zijn. Nu staat burgerschap steeds meer voor een cultureel ideaal. Denk aan de term ‘inburgering’ – allesbehalve een oproep tot emancipatie, maar een oproep tot aanpassing aan de ‘autochtone’ cultuur.

Maar bestaat die autochtone cultuur wel? Met de Rotterdamse socioloog Willem Schinkel stelt Lleshi dat het integratiedebat vooral dient om iets te verbloemen. Namelijk dat er geen homogene, originele, over- zichtelijke ‘autochtone’ cultuur is. Culturen, zeker in deze tijd, zijn dynamisch, en daarmee ook onoverzichtelijk en verwar- rend. Het integratiedebat dient ertoe om de worsteling met onze eigen culturele identiteit toe te dekken. Dat bijvoorbeeld ‘onze’ cultuur is veranderd, ligt nu aan de ‘nieuwkomers’ die zich niet aanpassen. En als ze niet kunnen meekomen in deze samenleving, ligt dat aan hen en aan hun culturele eigenaardigheid – ‘onze’ verantwoordelijkheid is het niet. Dat wil niet zeggen dat er geen reële problemen zijn, maar door voortdurend en nadrukkelijk te herhalen dat ‘zij’ zich niet aanpassen, hoeven we nooit de vraag te stellen waaraan die nieuwkomers zich dan wel dienen aan te passen. Lleshi citeert een geïnterviewde voor het project ‘Ideaal Brussel’: ‘Ik heb het gevoel dat ze in België zelf niet weten wat het is om een Belg te zijn, laat staan wat ik moet doen om een Belg te zijn.’

Durf

Durven we de ‘nieuwkomer’ wel te ontmoeten, of gebruiken we hem vooral om onze eigen verwarring toe te dekken? Lleshi beschrijft aan de hand van de filosoof Hans- Georg Gadamer over hoe zo’n ontmoeting eruit zou kunnen zien. Volgens Gadamer begint zo’n ontmoeting vooral met durf. We moeten bereid zijn om tijdens zo’n ontmoeting (met een ‘ander’, zoals Gadamer dat noemt) onszelf op het spel te zetten. Onze vooroordelen, stereotypes of angsten onder ogen durven zien. gadamer gaat zover om als uitgangspunt te stellen ‘dat de ander gelijk kan hebben’. Iemand die bijvoorbeeld hoofddoekjes per definitie onderdrukkend vindt, wil niet luisteren naar moslima’s die anders beweren. terwijl we volgens Gadamer pas als we durf tonen tot een echt gesprek kunnen komen.

Dat klinkt vanzelfsprekend, maar meestal zijn we in discussies vooral bezig met ons eigen standpunt, zonder naar de ander te luisteren. Als je de ander voortdurend veroordeelt, is een gesprek onmogelijk. Maar is het zo simpel? Er zijn toch ook verschillen die onoverbrugbaar zijn, of dat tenminste lijken? Wat bijvoorbeeld als een mannelijke moslim weigert een vrouw een hand te geven? Nederland gaat tenslotte prat op zijn tolerantie en wil die niet verliezen. Lleshi: ‘De “andersheid” van de ander kan inderdaad problematisch zijn. Dat is nu eenmaal de realiteit en daar kunnen we niet omheen. Maar dat geldt voor die ander ook. Het minste wat we in dat geval kunnen doen, is ervan uitgaan dat de ander gelijk zou kunnen hebben. Maar begrijp me goed: voor Gadamer is dit altijd het vertrekpunt van een dialoog, niet de noodzakelijke uitkomst. Er is daarmee nog niets gezegd over de vraag of handen schudden tussen man en vrouw als norm zou moeten gelden. Het gaat erom ruimte te scheppen voor het idée dat ook een andere vorm van begroeting een teken van respect kan zijn. Andersom zou een moslim die geen hand wil geven, moeten begrijpen dat hij een vrouw kan kwetsen of beledigen als hij dat weigert. Misschien is de uitkomst dat een man weliswaar niet de hand van een vrouw schudt, maar wel duidelijk laat merken dat hij de gevoeligheid snapt. Misschien zijn enkele woorden al voldoende om de situatie minder gespannen te maken.’

‘We zijn echter al snel geneigd de ander als achtergesteld of zelfs barbaars te zien. We bieden hem zelfs geen ruimte om zijn culturele gewoonten te verklaren of toe te lichten. gelijkheid houdt in dat je iedereen als gelijke behandelt, ook al zijn diens opvattingen anders. En nee, dat wil niet zeggen dat alle opvattingen evenveel waard zijn, maar ze moeten wel kunnen worden gehoord. Van de allochtonen wordt nu slechts verwacht dat ze worden als de autochtonen. Waarom wordt er bijvoorbeeld wel gediscussieerd over een hoofddoekjesverbod, en niet over een kruisjesverbod? nu toont niet één partij de wil om de andersheid van de ander te begrijpen en daar rekening mee te houden. Verder wordt altijd de niet-westerse allochtoon als problematisch gezien en nooit de blanke allochtoon.’

Plein

We lopen verder naar een plein in de wijk Flagey, in Elsene, vlak bij het huis waar Lleshi zelf woont. Het plein is nieuw en ligt naast café Belga, waar alleen de rijkere Brusselaars uit de wijk zich een kopje koffie kunnen veroorloven. sinds het plein er is, hebben ook de minder rijken een  plaats om samen te komen op een mooie zomeravond. Lleshi: ‘Ook deze wijk kent een rijke diversiteit aan inwoners. Er wonen heel veel Afrikanen, Marokkanen, Portugezen, jonge intellectuelen en studenten, en er zijn zelden problemen. Er is wel geïnvesteerd in de wijk. In de zomer zit het op dit plein altijd stampvol met mensen in allerlei kleuren. Dat is prachtig, en hoopvol. In mijn ogen is dit zoals het hier zou moeten zijn. De identiteit van de Brusselaar is dat hij alle kleuren mag hebben, dat hij overal vandaan mag komen en dat hij in Brussel woont.’ Vanuit de hoek van het plein waait de geur van verse patat ons tegemoet, vermengd met de geuren van de vroege lentewind. Op de hoek staat een frietkot dat wereldberoemd werd doordat de zanger Jacques Brel daar regelmatig van de smaakvolle baksels genoot. Niet alles verandert.

Reportage door Anne Havik voor Filosofie Magazine, 2010

https://blerilleshi.wordpress.com

http://www.facebook.com/Bleri.Lleshi

twitter @blerilleshi

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s