Home

Maart 11, 2010 | By Pieter-Paul Verhaeghe

De centrale vraag in dit boek is hoe jongeren een identiteit construeren in een etnisch en sociaal diverse stad als Brussel. Reeds uit bovenstaande vraag en uit de titel blijkt dat de auteurs een sociaalconstructivistische kijk op identiteiten hebben: identiteiten zijn meervoudig, hybride en veranderlijk; en etniciteit is slechts één identiteitsdimensie naast vele anderen. Een dergelijke kijk vormt een aangename afwisseling op de doorgaans culturalistische en unidimensionele beeldvorming over etnische minderheden in het dominante discours. Dit sociaalconstructivistische perspectief wordt in het boek vanuit diverse wetenschappelijke invalshoeken belicht en aan de hand van verschillende praktijkvoorbeelden geïllustreerd. Het is net deze combinatie van theorie en praktijk dat van dit boek zeker een aanrader maakt.

In het boek wordt er sterk gehamerd op het belang van de interculturele ontmoeting om tot een gedeelde, interculturele samenleving te komen. Om van een betekenisvolle interculturele ontmoeting te kunnen spreken, moet echter aan verschillende voorwaarden voldaan worden. Ten eerste moet de dialoog aangegaan worden vanuit een wederzijds respect voor het verschil. Blinde assimilatie waarbij verschillen afgevlakt worden, kan niet de bedoeling zijn. Het is immers net vanuit het verschil dat men zich bewust wordt van zichzelf. Een eigen identiteitsbesef komt tot stand tijdens de ontmoeting met een andere identiteit. Zelfreflectie is dan ook een tweede voorwaarde. Het is pas vanuit een kritische zelfbevraging dat men een bewuste identiteitskeuze kan maken. De ervaringen van de Turks-Nederlandse Halil Cikmazkara zijn in dat verband verhelderend: “In een cultuur of met een geloof of levenswijze opgroeien of tradities in ere houden, een taal spreken bepaalt niet mijn identiteit. Het versterkt hooguit mijn verbondenheid met mijn identiteit. Mijn identiteit wordt gevormd doordat ik ervoor kies” (p. 143). Een derde voorwaarde is dat de ontmoeting niet beperkt blijft tot louter contact. De gesprekspartners moeten bereid zijn om zich in elkaars leefwereld in te leven en effectief een gesprek aan te gaan. Een dergelijk gesprek vindt uiteraard niet plaats in het luchtledige. Eric Corijn wijst erop dat elk intercultureel gesprek plaatsvindt tegen de achtergrond van een bestaande orde, van een machtsstructuur met haar eigen culturele kader. Een vierde voorwaarde is bijgevolg dat beide gesprekspartners op voet van gelijkheid staan en de dialoog kunnen aangaan met gelijke sociaal-culturele middelen.

Multiculti elitisme?

Het is duidelijk dat bovenstaande voorwaarden voor een interculturele dialoog momenteel meer fictie dan realiteit zijn. De monoculturele meerderheid voelt zich niet meteen genoodzaakt om de dialoog op voet van gelijkheid aan te gaan en de pluriculturele minderheid heeft in de eerste plaats de handen vol met op sociaaleconomisch vlak het hoofd boven water te houden. Hoewel de meerderheid de mond vol heeft van diversiteit, probeert ze die diversiteit vooral te managen: het is immers de meerderheid die bepaalt hoeveel ruimte de minderheid krijgt om haar identiteit vorm te geven.

In een zeer lezenswaardig essay vraagt Olivia Umurerwa Rutazibwa zich bijgevolg af of bovenstaande hybride identiteitsconstructie en interculturele dialoog niet de privileges zijn van een stedelijke, hoogopgeleide multiculti elite. Volgens haar is de uitdaging om het interculturele discours relevant te maken voor zowel de monoculturele meerderheid als de materieel achtergestelde pluriculturele minderheid. Voor de monoculturele meerderheid in België moet de vrijblijvendheid van de dialoog doorbroken worden. Rutazibwa houdt in dat verband een pleidooi om de diversiteit te institutionaliseren door bvb. het invoeren van quota op de arbeidsmarkt en cultureel diverse lesinhouden in scholen. Voor de sociaaleconomisch achtergestelden moeten eerst de materiële voorwaarden geschept worden om de dialoog aan te kunnen gaan. Daarna moet de dialoog expliciet verbonden worden met een herverdelend samenlevingsproject.

Welke identiteit?

Een andere vraag is waarin deze interculturele dialoog moet uitmonden? Het is mijn indruk dat de auteurs in het boek met hun antwoorden sterk variëren op het continuüm privatisering vs. communitarianisme (voor meer informatie over dit continuüm zie Van den Bossche & Zemni, 2002). Het antwoord van de privatisering resulteert dan in individuen met meervoudige, hybride samengestelde identiteiten. De implicatie van dit antwoord is dat de identiteitsbeleving strikt individueel is en dat het bijgevolg geen basis kan vormen voor een gedeeld samenleven. In het antwoord van het communitarianisme pleit men daarentegen voor een collectieve identiteitsconstructie. Die collectieve identiteit op een bepaalde dimensie vult dan de individuele identiteit(en) aan. Het communitarianisme als samenlevingsmodel steunt dan op een aantal gedeelde waarden en normen.

Het is mijn overtuiging dat een privatisering van de identiteit weinig meerwaarde biedt om een solidair samenlevingsproject uit te bouwen. Solidariteit kan misschien op korte tot middenlange termijn het resultaat zijn van een rationele afweging tussen kosten en baten (het verzekeringsmodel), maar zou op lange termijn geschraagd moeten worden door een sociaal bindmiddel. Terecht wijzen meerdere auteurs echter op de potentieel nefaste gevolgen van een collectieve identiteitsconstructie. Collectieve identiteiten dragen immers steeds het gevaar in zich essentialiserend te werken. De collectieve identiteit wordt hierbij beperkt tot een bepaalde essentie, een onveranderlijk, homogeen geheel van kenmerken dat gegeven is. Culturalisme, segregatie en onderdrukking zijn daar de gevolgen van. Iedere collectieve identiteitsconstructie dient zich dan ook te hoeden voor dit gevaar.

Wat zou dan wel een goede basis kunnen vormen voor een collectieve identiteit? Meerdere auteurs in het boek pleiten ervoor om de meerwaarde van een bepaalde collectieve identiteit af te meten aan zijn functionaliteit. Corijn wijst bijvoorbeeld op de noodzakelijke meerwaarde van interculturaliteit voor het Brusselse samenlevingsmodel: Brussel heeft de interculturaliteit nodig. Volgens Rutazibwa moeten we bij iedere groepsidentiteit nagaan in hoeverre ze een betekenisvolle bijdrage levert aan het welzijn van de eigen groep, maar ook voor de anderen en het geheel van de samenleving waartoe ze behoort. Concreet ligt er volgens mij veel potentieel bij een collectieve identiteitsconstructie op een sociaaleconomische basis. Op sociaal-cultureel vlak is het meest haalbare op dit moment echter om een gedeelde groepsidentiteit te construeren rond een bepaalde buurt, gemeente of stad. Het boek zelf kan eigenlijk ook gelezen worden als een pleidooi voor een Brusselse meervoudige identiteit. Wat dat betekent, kan misschien het best geïllustreerd worden aan de hand van een citaat uit het boek: “Het maakt niet uit wat je achtergrond, afkomst, kleur of status is; Brussel heeft een plaats voor elke jongere. Dat idee delen de meesten van de jongeren over Brussel” (p. 108).

Lleshi, B. & Van den Bossche, M. (eds.) (2010). Identiteit en interculturaliteit. Identiteitsconstructie bij jongeren in Brussel. Brussel: VUBPRESS.

Van den Bossche, G. & Zemni, S. (2002). Allochtonen aller landen… burger u in! Wat het debat over inburgeringsplicht ons kan vertellen over identiteit(en). In Van den Brande, A. (ed.), Identiteiten. Functies en disfuncties. Gent: Academia Press, 107-143.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s