Home

Er circuleert al geruime tijd een metaforische uitdrukking die stilaan versteend aan het raken is – dat wil zeggen dat ze het statuut krijgt van een gezegde, een spreuk. De uitdrukking is ‘zuurstof geven’, en ze wordt uitsluitend gebruikt in verband met ‘de economie’, ‘de banken’ of ‘de bedrijven’.

‘De economie moet zeer zuurstof krijgen’, of ‘er moeten maatregelen komen om onze bedrijven weer zuurstof te geven’: we zijn dit soort uitspraken inmiddels volkomen gewoon geraakt, en velen onder ons herhalen ze om de haverklap in onze eigen gesprekken. We denken dan dat we iets wijs hebben gezegd, iets waarvan we de betekenis goed snappen, en iets wat ergens op slaat.

Meer geld, meer winsten

Snappen we het? Het zou helpen indien men ‘zuurstof’ zou vervangen door ‘geld’. Dat is immers een naar neveneffect van metaforen: ze hebben de eigenschap dat ze de realiteit niet gewoon beschrijven, maar er een pak ‘spin’ op zetten. Ze versluieren bijgevolg een goed begrip van de feiten. En dat is het geval met ‘zuurstof geven’: telkens men deze uitdrukking gebruikt, heeft men het in wezen over niets anders dan ‘geld geven’. ‘Onze bedrijven weer zuurstof geven’ betekent concreet evenveel als: onze bedrijven meer winsten laten maken. En de maatregelen die men dan in gedachten heeft zijn maatregelen die erop gericht zijn de winstmarges van bedrijven te vergroten. Dit laatste heet dan – alweer een geval van kromtaal – economische ‘groei’, of nog, ‘concurrentievermogen’.’ Zuurstof geven’ staat dus voor niets anders dan ‘geld geven’, het verbeteren van de kapitaalsaccumulatie in bedrijven.

Groei, groei, groei

Tot die maatregelen hoort al geruime tijd een pakket dat men (en hier komt een derde voorbeeld van kromtaal) ‘de modernisering van de arbeidsmarkt’ noemt. Recent nog vatte Jan Denys[i] (Randstad Interim) de consensus hierover netjes samen. Men moet werkloosheidsvergoedingen beperken, de ontslagregeling versoepelen en de lonen ‘flexibiliseren’. Dat laatste (nog een voorbeeld van kromspraak uiteraard) betekent concreet: alle collectief besliste reguleringen inzake loon afschaffen, te weten de indexering, het minimumloon, de dertiende maand en ga zo maar voort. Waarom? Omdat onze arbeid niet ‘flexibel’ genoeg is, onze arbeidsmarkt ‘verstard’ en ‘verouderd’, en omdat dit de ‘zuurstof’ voor bedrijven wegneemt. Onze ‘verstarde’ arbeidsregulering ‘verstikt’ onze bedrijven.

Vertaald betekent dit laatste: het feit dat werkenden door de wet beschermd zijn en doorheen hun arbeid van een aantal onvervreemdbare rechten genieten verlaagt de winstvoet van bedrijven. En om dat laatste te verbeteren moeten we het eerste afbouwen. De rechten die we uit arbeid verkrijgen, en die netjes in artikel 23 van de Belgische Grondwet worden samengevat als “ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden” – die rechten zijn een obstakel voor de economische ‘groei’. En als we ‘groei’ willen moeten we de ‘competitiviteit’ verbeteren (we weten inmiddels wat deze termen betekenen), en daarom die rechten verbonden aan arbeid afbouwen.

We zien hier iets interessants: de ‘groei’ van ‘de economie’ wordt geschetst in termen van een conflict tussen arbeid en kapitaal. Concreet: ‘groei’ staat uitsluitend voor de verhoging van winsten, en om die te garanderen (‘zuurstof geven’) moet er worden ingeleverd op arbeid. En dat conflict wordt niet gedefinieerd door hardcore Marxisten, maar door hardcore neoliberalen en door de mainstream media. Om onze economie te laten ‘groeien’ moeten we de belangen van kapitaal resoluut laten overwegen op die van arbeid – het zijn mensen als Jan Denys, maar ook Vincent Van Quickenborne, Alexander De Croo en de Onafhankelijke Denktank Itinera die dit uitbazuinen.

Wie is ‘de economie’?

Dat roept een vraag op: wie is ‘de economie’? In de redenering die hierboven is geschetst wordt die vraag simpel beantwoord: de economie, dat zijn de bedrijven – of meer precies, de financiële uitkomsten van bedrijven, hun balans, hun winst. De werknemers van die bedrijven, of zelfs de consumenten van hun producten, blijken in deze redenering geen deel uit te maken van ‘de economie’. De werknemers moeten uit hoofde van ‘groei’ immers zeer belangrijke rechten opgeven: minimumlonen, koopkrachtvastheid van het loon, werkzekerheid, sociale bescherming bij werkloosheid. Hun rol als consument wordt daardoor aangevallen: iemand die moet leven van het bestaansminimum is vanzelfsprekend niet de ideale consument.

Elke serieuze economist zal je zeggen dat een dergelijke eenzijdige visie op ‘de economie’ grote economische gevaren inhoudt. De winsten zullen stijgen, maar de tewerkstelling niet, en de dalende welvaart van de werkenden zal een effect hebben op hun consumptie. En elke serieuze socioloog zal je zeggen dat deze tunnelvisie ook grote sociale en politieke gevaren inhoudt. ‘De economie’ is immers volkomen verweven met dat andere ding, ‘de samenleving’. Een economische crisis is een crisis die zich doorheen de gehele samenleving laat voelen. Dat wil zeggen: niet enkel in de aandelenportefeuille van de financier, maar meer nog in de portefeuille van de werkloze of van de geheel ‘geflexibiliseerde’ arbeidskracht.

Numeriek is die eerste groep een uiterst kleine minderheid; politiek lijken zij echter de meerderheid uit te maken. De ‘zuurstof’ waarvan sprake geldt enkel voor hen; de werkende of de werkloze verliest ‘zuurstof’, wordt stilaan ‘verstikt’ zoals men zegt. En dat heeft gevolgen doorheen de gehele samenleving, van de kassa van Carrefour tot en met het stemhokje.

Algemeen belang

Het wordt hoog tijd dat men het begrip ‘economie’ terug in zijn juiste betekenis gaat gebruiken: als een domein waarin heel verschillende spelers actief zijn, waarin eigenlijk de gehele samenleving mee speelt, en waarin de belangen van de enen steeds moeten afgewogen worden tegen die van anderen. Die afweging, dat is het zogeheten ‘algemeen belang’. Beleidsmakers die dit over het hoofd zien, en die de belangen van de enen laten overwegen op dat algemeen belang, die spelen met vuur.

De maatregelen die onze bedrijven ‘zuurstof’ moeten ‘geven’, stellen een particulier belang boven het algemeen belang, en houden dus enorme sociale en politieke risico’s in. Want hoe vaak men ook beklemtoont dat ‘er geen alternatief is’, mensen wier welvaart in vrije val raakt, en die in die val geen enkele steun of solidariteit ervaren van de samenleving in haar geheel – zo’n mensen worden boos, wanhopig en opstandig. Er zijn al miljoenen dergelijke mensen in de EU, en tienduizenden in België. Dit spelletje kan dus niet erg lang meer volgehouden worden.

Jan Blommaert is Hoogleraar aan Tilburg University. Hij publiceerde onlangs “De 360 Graden Werknemer” (met Paul Mutsaers en Hans Siebers, EPO 2012

Foto: Han Soete

About these ads

2 thoughts on “Zuurstof geven

  1. Pingback: Zuurstof geven « Dirk Lagast

  2. Deze aanslag op de waardigheid van de werkende is standaardnorm van het neoliberaal fascisme. Het spook van het nazisme is terug van even weggeweest.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s