Een andere toekomst

‘Jongeren zijn de toekomst’ hoor je vaak. Ik geloof dat we vandaag fundamenteel verkeerd bezig zijn met deze toekomst. Om hier verandering in te brengen, zijn niet de jongeren maar eerst en vooral wij verantwoordelijk.

Brussel is een jonge hoofdstad. Kinderen en jongeren vormen een belangrijke bevolkingsgroep. Bovendien blijft de stad verjongen. Als je rondloopt in de stad merk je desondanks al gauw dat de volwassenen domineren.

Ik heb mij vaak de vraag gesteld: “Waar is al die jeugd?”. Het is bijna schrikken als jongeren af en toe duidelijk zichtbaar zijn. Zoals in de vroege ochtend als de ouders hun kinderen naar school brengen. Of op het openbaar vervoer, als leerlingen terugkomen van de school. Opeens besef je dat ze werkelijk bestaan. Dat die cijfers misschien wel kloppen.

Persoonlijk ben ik blij al die jeugd te zien. We hebben meestal de neiging om te gaan met mensen van min of meer onze eigen leeftijd en missen daardoor heel wat contact met andere leeftijdsgroepen. Dat is erg jammer natuurlijk, want omgang tussen generaties is essentieel en verrijkend voor elk van ons. Het is wezenlijk om niet van elkaar te vervreemden, om in voeling te blijven met elkaar, om visies, verhalen, ervaringen te delen.

De wereld eens zien vanuit de blik van een kind of van een oudere. Genieten van dat onschuldige, speelse van een kind of van de rust en gelatenheid van een oudere. Een ander soort samen-zijn delen. Als je het mij vraagt doen we dit te weinig.

Dat we te weinig met de jeugd bezig zijn is één zaak, maar dat we steeds minder verdraagzaam en begripvol worden voor jongeren is een andere. Een evolutie die mij enorm stoort.

Ik denk niet dat iedereen even blij is als onze jeugd zichtbaar is in de openbare ruimte. Ruimte die nochtans ook aan hen toebehoort.

Laat me een voorbeeld aanhalen. Ik neem regelmatig bus 95 of 71 in Brussel. Als de school uit is, zitten er heel wat kinderen en jongeren in de bus. Hun aanwezigheid lijkt een last voor de rest van de reizigers die stilte willen. Zodra een stem verhoogt of meerdere stemmen luidruchtig zijn, worden de blikken op scherp gezet en sturen het signaal dat dit (op zijn minst) storend is. Want openbaar vervoer is niet de plek waar je met elkaar praat, waar je een kind mag zijn. Neen, ze moeten zich gedragen als volwassenen.

Eerlijk gezegd heb ik een hekel aan de blikken en de zuchten van de volwassenen die deze jeugd niet toestaan om zichzelf te zijn, om jong te zijn.

Ze zouden een campagne moeten lanceren die de jongeren ertoe aanzet om, zoals wij volwassenen, een boek in handen te nemen, of een krant of magazine. Het maakt niet uit, zolang ze maar stil zijn. Zo lang ze zich maar gedragen zoals wij dat willen.

Als ik die onverdraagzame strenge blikken zie, denk ik altijd hetzelfde: “Hoe is dit mogelijk”? Hebben die mensen zelf geen kinderen? Zijn die mensen zelf nooit kind geweest? Komen die mensen wel eens in contact met kinderen?

Af en toe heb je ouders die met hun kleine kinderen de bus nemen. Kinderen lachen nu eenmaal (en gelukkig maar) meer dan de gemiddelde volwassene. Als je ze ziet glimlachen naar een volwassene (die af en toe durft terug glimlachen) treden de ouders direct op. ‘Geen contact met onbekenden.’ ‘Val die meneer of mevrouw niet lastig.’

Hoeveel van u waarde lezers, durven uw kind door de week buiten te laten spelen? Of in de straat rondhangen met andere kinderen of jongeren van hun eigen leeftijd? Want u beseft toch wel dat een kind geen volwassene is? Dat een kind niet op dezelfde manier zijn/haar dagelijkse leven moet regelen als een volwassene? Een kind werkt niet. Een kind heeft energie om dingen te doen. Nood om buiten te komen. Nood om te spelen. Voor de ontwikkeling van een kind is dit cruciaal.

Het is een misdaad om een kind bijna zeven op zeven in een ruimte op te sluiten. Op school binnen. Thuis binnen. We lossen het op door tv, computer en spelletjes in de eigen kamer te installeren. Wij blij en het kind blij. Althans dat maken we onszelf wijs.

Als deze kinderen tieners worden en meer dan ooit de nood hebben om met hun leeftijdsgenoten op te trekken, op zoek naar hun identiteit, dan is er paniek. We zijn het gewoon geworden dat ze niet buiten komen want de buitenwereld is ‘slecht’ en vooral ‘gevaarlijk’.

In wat voor maatschappij leven we als we niet kunnen verdragen dat onze jeugd zichtbaar is? Als we niet tolereren dat onze jongeren de openbare ruimte gebruiken? Als we rondhangen als een overlast ervaren? We moeten dringend een aantal fundamentele vragen stellen in plaats van één van de meest kwetsbare groepen in onze samenleving telkens weer negatief te viseren.

Rondhangen is hier een uitstekend voorbeeld. Volgens de Belgische veiligheidsmonitor ervaart één op vier Belgen rondhangende jongeren als een probleem in de buurt. Nochtans toont onderzoek aan wat wie met jongeren werkt al lang weet, namelijk dat rondhangen geen probleem vormt. Jongeren hangen niet rond omdat ze criminele plannen hebben of omdat ze niets beters te doen hebben. Ze vinden samen rondhangen gewoon een leuke tijdsbesteding. Het is een manier om hun identiteit te ontwikkelen in een groep waarin ze zich veilig en aanvaard voelen. Alle pubers en tieners willen zien en gezien worden, willen experimenteren en zich manifesteren.

Bovendien hebben jongeren nood aan ‘eigen’ ruimte. Zoals elk van ons een eigen plek heeft, zoeken jongeren die ook. Maar we doen alsof de openbare ruimte alleen aan de volwassene toekomt en bovendien komt die steeds meer in de handen van privé bedrijven. Er is nog weinig vrije ruimte, die niet bedoeld is voor produceren en consumeren.

En als jongeren dan gebruik maken van de weinige overblijvende openbare ruimte, vindt men dat bedreigend en worden ze als overlast gezien. Maar wat is overlast? Wat voor de ene overlast betekent, is het voor de andere niet. Het wordt bepaald door waarneming, stereotypering en omstandigheden.

Als ik voorstellen lees zoals die van minister van Binnenlandse Zaken, Joëlle Milquet, om jongeren vanaf 14 jaar administratieve boetes op te leggen, ben ik verontwaardigd. Niet alleen als sociaal werker die met Brusselse jongeren werkt, maar ook als burger die dergelijke maatregelen niet steunt in zijn eigen gemeente.
Er is de afgelopen dagen al heel wat geschreven hierover, maar sta me toe nog eens de belangrijkste punten te benoemen waarom deze voorstellen onaanvaardbaar zijn.

Deze voorstellen worden eerst en vooral niet gesteund door organisaties en bevoegden die met jongeren werken. Dat zou toch vragen moeten oproepen? Ten tweede definieert men het begrip ‘overlast’ niet, terwijl we steeds meer de neiging hebben om steeds meer zaken als overlast te beschouwen. Ten derde moet een regel die de overheid wil invoeren, voor iedereen gelijk zijn. Het kan niet dat rondhangen in Ternat beboet wordt, terwijl het in Turnhout niet als een probleem wordt beschouwd. Ten vierde hebben we niet veel cijfers over die Gemeentelijke Administratieve Sancties (GAS) –zie bijvoorbeeld Brussel waar al maanden veel getouwtrek is over de GAS-cijfers- en de weinige cijfers die we hebben laten zien dat het aandeel van de minderjarigen (16-18) in gesanctioneerde overtredingen zeer laag was (1,36 % in Antwerpen, in Vlaams Brabant spreken we over net geen 2%). Ten vijfde staat België al te kijk als een land dat de kinderrechten regelmatig overtreedt en dergelijke voorstellen, die duidelijk ingaan tegen kinderrechten en kinderbescherming, vragen gewoonweg om meer veroordelingen. Ten zesde wil de minister niet alleen de leeftijd verlagen, maar ook de boetes verhogen. Wie gaat die boetes betalen? Een 14-jarige die geen recht op werk heeft? De ouders dus, en meestal gaat het om ouders die het niet bepaald breed hebben.

Dat betekent dat men mensen in armoede nog meer gaat bestraffen en dat men hun gezinssituatie nog moeilijker maakt. Men kan dan wel roepen om ‘meer responsabilisering van de ouders’, maar dat zal weinig helpen als die ouders zelf in armoede en uitsluiting zitten.

Ter herinnering: één op vier kinderen in Brussel leeft in armoede en één op drie in een gezin waar niemand werkt, bij eenoudergezinnen loopt dit zelfs op tot zestig procent. Kortom: de Gemeentelijke Administratieve Sancties (GAS) moeten herzien worden. Ze treffen arme gezinnen financieel, waardoor hun situatie verslechtert. Met andere woorden: sancties worden deel van het probleem in plaats van de oplossing.

En alsof dit niet genoeg zou zijn, komen socialistische burgemeesters met het voorstel om de leeftijd zelfs tot 12 jaar te verlagen. Ja, beste heren, waarom niet 10 jaar of 8 jaar als we toch bezig zijn?

Het is pijnlijk om te zien hoe intolerant we eigenlijk zijn als het om jongeren gaat. Het is ongelooflijk triestig als je ziet welke verwachtingen de politiek, het beleid, de media en velen van ons hebben. We willen dat jongeren zich gedragen zoals wij: beschaafde volwassenen, prototype ‘middenklasse’.

Weer geen visie over jongeren in de overheidsvoorstellen, ook al zullen sommigen zeggen dat er wel een visie is, zij het een korte termijn visie. Maar als je kijkt naar de situatie van de jongeren -zeker die jongeren die de GAS-maatregel viseert- en ziet hoe die aan het verslechteren is, dan is een korte termijn visie gelijk aan geen visie. Het is hoog tijd dat we voor een lange termijn aanpak gaan. En een lange termijn aanpak betekent kiezen voor duurzame leefbaarheid tussen jongeren en andere bewoners.

We moeten ophouden met jongeren te viseren en hen meer ruimte bieden om jong te zijn. Ook in de publieke ruimte. Daaraan moeten we terug haar echte betekenis geven: een ontmoetingsplaats voor iedereen. Om die ontmoeting goed te laten verlopen is er dialoog en interactie nodig tussen jongeren onderling, tussen jongeren en buurtbewoners en met de verantwoordelijken voor het lokaal beleid. Een dialoog die vertrekt uit een positieve visie en de wil om de publieke ruimte te delen.

Wij moeten terug leren omgaan met jongeren. Het is op zijn minst aangewezen om hen eerst en vooral te begrijpen en dus om met hen te praten. Dat begrijpen kan maar plaatsvinden als we vanuit de jongeren zelf vertrekken. We moeten rekening houden met hun realiteit. Een realiteit die constant in verandering is. Streven naar de onzichtbaarheid van jongeren door hen uit te sluiten en te straffen, lijkt me niet de oplossing.

Streven naar een geïntegreerd positief beleid lijkt me een veel betere oplossing. Hiervoor heb je samenwerking nodig tussen mensen uit de verschillende domeinen die een rol kunnen spelen, zoals jeugdwerkers, straathoekwerkers, buurtbewoners, bemiddelaars, lokale beleidsmensen en politiemensen.

Geen repressief optreden dus, maar een degelijke, rechtvaardige aanpak en investeringen op langere termijn. Alleen op die manier kunnen we bouwen aan een betere toekomst voor onze jeugd.

Bleri Lleshi is politiek filosoof en sociaal werker in Brussel.

http://blerilleshi.wordpress.com

https://www.facebook.com/Bleri.Lleshi

Doug Saunders, ‘De trek naar de stad’ (2011)

De stad in de 21ste eeuw

Aan het begin van deze eeuw wonen er voor de eerste keer in de geschiedenis van de mens meer mensen in de stad dan op het platteland. In zijn ambitieus boek, ‘De trek naar de stad’, legt Doug Saunders, journalist bij de Canadese krant ‘Globe and Mail, uit waarom dit belangrijke cijfers zijn die bovendien alleen maar zullen toenemen.

Vooral in Zuid-Amerika zie je dat mensen al jaren massaal naar de stad trekken, maar vandaag zie je dat deze tendens zich ook in de rest van de wereld voordoet. Mensen verhuizen naar de stad en dan vooral naar grote steden. Volgens Saunders heeft deze ontwikkeling grote gevolgen voor de economie en hoe we onze steden organiseren. Daarom ging hij op onderzoek in verschillende werelddelen om deze evolutie te analyseren. Zijn stelling is dat er vooral in de sloppenwijken – van Azië tot Europa – potentieel schuilt. In deze wijken, die hij arrival cities noemt en waar miljoenen armen wonen, bestaat er een dynamiek en gedrevenheid. De mensen nemen hun lot in eigen handen en proberen hun leven te verbeteren.

Maar de mensen kunnen dit niet alleen. Ook de politiek moet zijn duit in het zakje doen om deze mensen te helpen en een betere toekomst te bieden. Saunders is daar heel duidelijk in: er is geen andere keuze, want migratie kan je niet stoppen. Het is iets van alle tijden. Bovendien richt hij zich bij zijn analyse vooral op de harde socio-economische aspecten en veel minder op vage begrippen als cultuur of identiteit. Alleen al daarom is dit boek een verademing.

Bovendien juichen we het toe dat dit boek de migratie naar de stad niet als een probleem bekijkt, wel integendeel. Saunders gelooft dat de migratie van de dorpelingen en anderen mensen die op zoek zijn naar een beter leven, alleen maar ten goede kan komen aan de welvaart van iedereen. Een optimistische kijk die doet dromen.

Misschien zelfs wat te optimistisch, want wie naar de situatie van deze massa uitgeslotenen kijkt, beseft dat de situatie niet in de juiste richting evolueert. De ongelijkheid neemt toe, net als de armoede. Natuurlijk zijn er individuen die slagen, maar dit wil niet zeggen dat de bestaande situatie niet kritisch in vraag gesteld dient te worden. Dat doet Saunders te weinig.

‘De trek naar de stad’ vertelt het verhaal van een Chinees koppel dat hun kinderen achterlaat om in erbarmelijke omstandigheden te werken. Op een verknipte manier hopen ze dat dit ervoor zal zorgen dat die kinderen later hogere studies zullen kunnen aanvatten. Saunders gaat veel te licht over zulke schrijnende verhalen – en wereldwijd zijn er zo honderdduizenden – van uitbuiting en ongelijkheid. Het is lovenswaardig dat hij het over de perspectieven van morgen heeft, maar er bestaan ook problemen die hier en nu opgelost moeten worden.

Dit soort overdreven optimisme maakt dat de analyse in ‘De trek naar de stad’ niet altijd even sterk overkomt en vaak repetitief is. Bovendien zijn er enkele storende slordigheden geslopen in de vertaling van sommige cruciale concepten. Dat neemt echter niet weg dat de gedetailleerde beschrijvingen van deze arrival cities en de mensen die ze bewonen heel interessant is voor wie op een of andere manier naar de stad wil kijken. Alleen al daarom is dit boek, zeker ook voor politici, een aanrader.

Bleri Lleshi

Uit: Cutting Edge 10-01-12

Geen visie over migratie

Beschamend en schandalig. Dit is hoe je de non-visie van Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maggie De Block, best kan omschrijven.

‘Was dit een erfenis, ik zou ze weigeren’ dat zegt De Block in een interview met De Morgen (11/01) over haar bevoegdheden inzake asiel en migratie.

Eerst had ze beloofd dat ze een maand niet zou praten, gezien ze nooit eerder actief was rond asiel en migratie. Ze wist dus zo goed als niets van haar nieuwe beleidsdomein. Dat ze dan toch die bevoegdheden krijgt, blijft voor mij nog steeds onbegrijpelijk.

Vandaag stelt mevrouw De Block haar plannen inzake asiel en migratie in het parlement voor. Er komen meer besparingen, meer uitwijzigen, kwaliteit van de opvang daalt en de asielprocedure wordt (nogmaals) versneld. ‘Uit humaan standpunt is dat heel erg, maar je kunt wel het één en ander uitleggen’, en zo weten we, na een maand zwijgen, wat de staatssecretaris met asiel en migratie wil aanvangen.

Geen wonder dat ze met dergelijke voorstellen komt, men heeft immers migratie nog nooit serieus genomen in dit land. Kijk bijvoorbeeld naar het akkoord over migratie. Dat stond als laatste op de agenda van de onderhandelaars en binnen de vier uur waren ze rond. 540 dagen onderhandelingen, maar over migratie (toch een moeilijk dossier, dachten we) waren het ze snel eens.

Dit bewijst dat er op politiek niveau geen visie is en dat migratie het laatste is waar men zich zorgen over maakt. Het gaat toch om niet-Belgen, mensen die hier nog moeten komen, mensen die hier zijn maar eigenlijk niet bestaan, mensen waarvan de staatssecretaris zegt: ‘Hoe meer mensen vertrekken, hoe beter.’

En als er dan toch een akkoord komt met een bevoegde staatssecretaris, blijkt dat er nog steeds geen visie bestaat. De overheid neemt haar verantwoordelijkheid niet. Ze laat het over aan de organisaties die werken op het veld van migratie en integratie. Mensen die zich hard moeten inzetten met weinig middelen, om toch enig menselijkheid mogelijk te maken. En dat vindt mevrouw De Block geweldig natuurlijk: ‘Dat ngo’s nu zelf opvang organiseren, dat is toch mooi?’ Ja, mevrouw De Block, heel mooi is dat. Vraag het maar aan die mensen of ze het zelf ook zo prachtig vinden uw onkunde en incompetentie op te vangen.

Dit is de staat waar niet alleen de Open-vld maar alle partijen vandaag in de regering voor tekenen: een staat waar de burger het zelf moet oplossen. Geen visie noch voldoende structurele middelen vanuit de overheid. Alleen wat projectmatige middelen en voor de rest blijft het plantrekken.

Ondergetekende heeft al een dozijn mails ontvangen van die ngo’s die ‘mooi hun werk doen’ met de vraag of hij wil helpen als vrijwilliger, want men kan het werk niet aan. Begrijp me niet verkeerd, met of zonder hulp van de staat, de inzet van die organisaties en vrijwilligers is heel belangrijk. Om echter een degelijke aanpak mogelijk te maken, heb je een overheid nodig die haar verantwoordelijkheid neemt. Een bevoegde staatssecretaris die competent is en de volle steun verleent is noodzakelijk. En die is er vandaag niet.

Wat we wel hebben is een asociale overheid die wekelijks wetten uitvaardigt die onze sociale staat de grond in boren. Hierover niets in de media, niets in de politiek. Migratie is en blijft  zowel op politiek vlak als door de media  stiefmoederlijk behandeld, herleid tot cafépraat.

Het is dan ook geen verrassing dat ons land de afgelopen maanden meermaals is veroordeeld door Europa voor schending van de mensenrechten. Asielzoekers worden in ons land als uitschot behandeld.

Bij deze lanceer ik een oproep aan de organisaties die met asielzoekers en migranten werken: Kaart de incompetentie van de overheid op Europees en zelfs wereldniveau aan bij de bevoegde instellingen. Wanneer veroordelingen volgen zal men asiel en migratie in dit land  misschien serieus nemen.

Mevrouw de staatsecretaris u moet wel beseffen dat uw job u aangeboden is en u daarop ja hebt geantwoord. U wordt hier ook dik voor betaald.

Dit is geen erfenis, maar wel een baan die levensbelangrijk (letterlijk en figuurlijk) is voor duizenden mensen die in ons land verblijven en voor diegenen de hier nog terecht zullen komen.

Als u deze job niet ziet zitten, kan u nog altijd iets anders doen in het leven. Dat zou, gezien uw kennis en ‘visie’ ter zake, de beste oplossing zijn. Om asiel en migratie enigszins in goede banen te leiden is er iemand nodig die competent is en kennis van zaken heeft. Misschien kan u een stap opzij zetten en deze belangrijke functie laten bekleden door iemand met visie?

Bleri Lleshi is politiek filosoof

http://blerilleshi.wordpress.com/

https://www.facebook.com/Bleri.Lleshi

Verhalen van onze eeuw

Migratie is vandaag één van de meest gedebatteerde thema’s. Regelmatig staat het hoog op de agenda van onze leiders die meestal niet weten wat ermee aan te vangen. Nochtans is migratie niets nieuws. Het is zo oud als de mens zelf. En toch het lukt ons niet om een degelijke migratiepolitiek in elkaar te steken.

In de huidige geglobaliseerde wereld wordt het sowieso een hele uitdaging. Niet alleen omdat de transportmogelijkheden toenemen, maar ook omdat het aantal bloedige conflicten overal in de wereld toeneemt. Conflicten waar het westen telkens weer de hand in heeft, via regeringen of via bedrijven.

Elk mens streeft naar een beter leven. En dat zou een recht moet zijn. Maar de realiteit toont net iets anders.

De realiteit toont verhalen zoals die in het boek Fata Morgana (****) verteld worden. Het boek geschreven door Chika Unigwe, die in Nigeria is geboren en in België woont, vertelt het verhaal van vier Afrikaanse vrouwen die hun huis, familie, vrienden,…die alles achterlaten op zoek naar een beter leven.

Dat beter leven zou in Antwerpen moeten beginnen want het is daar waar de vier jonge vrouwen belanden. Geen van de vier had vooraf enig idee waar Antwerpen zou kunnen liggen. Ergens dichtbij Londen, had men hen verteld.

In Antwerpen, zogezegd de stad van iedereen, belanden ze in de prostitutie en zijn ze dus de facto ‘van iedereen’. Iedereen die wat poen neertelt. En hoe meer geld erbij te pas komt, hoe meer eigendomsrechten voor de blanke man die deze zwarte Afrikaanse schoonheden wel lust.

De beste delen van hun lichamen gaan over de toog, ondanks het feit dat elk van hen elke seconde ervan verafschuwt. Veel keuze hebben ze niet want ze staan constant onder toezicht van de mensen die hen uitbuiten. Een kleine misstap wordt zwaar bestraft. Er moet geld vloeien naar Afrika. Hun tocht naar Europa zal duur betaald worden. Hun zoektocht naar een beter leven konden ze moeilijk duurder betalen.

De vier vrouwen wonen samen, maar weten niets van elkaar behalve de valse namen die ze gekregen hebben. Namen die de blanke mannen in Europa makkelijk kunnen uitspreken en sexy vinden klinken. Op een dag sterft een van de vrouwen. Ze is vermoord. Niemand weet waarom: een moord door de toezichthouders? Een racistische moord? Ze weten het niet. Wat ze wel weten is dat Sisi, de vrouw, niet meer is.

Dit confronteert de andere vrouwen met hun realiteit. Met een zelfonderzoek dat ze nooit hebben gevoerd. Vragen die ze nooit hebben gesteld. Ze proberen te begrijpen hoe het zover is kunnen komen?

Voor Sisi is het te laat, maar voor de andere vrouwen nog niet. Ze zullen grotendeels hun dromen waar kunnen maken, terug in Afrika, dankzij Sisi en de confrontatie die haar dood met zich bracht.

Het boek leest razendsnel. Unigwe slaagt erin om hun verhaal op een schitterende manier door elkaar te weven. Ze geeft een stem aan elk van die vrouwen. We krijgen een hard, maar een realistisch beeld van vier levens tussen Afrika en Europa.

De auteur slaagt erin om diep in hun verhalen te penetreren en brengt voor ons onbekende stukjes werkelijkheid naar boven. Het mooie aan dit boek is ook dat men heel wat te weten komt over de context van de verhalen. Cultuur, traditie en gewoontes die veel dingen begrijpelijk maken.

Het feit dat Unigwe uit Nigeria komt speelt hier ongetwijfeld een rol, maar ze heeft duidelijk veel onderzoek gevoerd en dat heeft geloond in een schitterend boek dat boeiend en leerrijk is.

Het einde van het boek komt wat abrupt, misschien had de auteur hier wat meer de tijd voor kunnen nemen. Desondanks is dit een aanrader voor wie iets wil begrijpen van migratie in de 21ste eeuw.

Bleri Lleshi

 

Over het boek:

Chika Unigwe, Fata Morgana, De Bezige Bij Antwerpen, 2de druk 2011

http://www.wpg.be/boeken/literatuur-en-romans/isbn/9789085423331/fata-morgana/

Een kort essay over engagement

Zonder dat ik het besefte is engagement belangrijk geworden in mijn dagelijkse leven. Mettertijd heeft het zich in mijn denken binnengedrongen en bepaalt het ook hoe ik over samenleven denk. Gezien ik het concept nooit op een bewuste manier heb onderzocht, er over heb gelezen of er zelfs maar bij heb stilgestaan lijkt het me aangewezen om dat nu eens te doen.

Ik vertrek niet vanuit boeken of theorieën en wat ze te vertellen hebben over engagement. Ik vertrek vanuit mezelf. Ik wil beschrijven wat engagement voor mij betekent in de praktijk, maar ook in de theorie.

Waarom een essay? Soms is het geschreven woord nodig, niet alleen om een gedachte uit te drukken, maar ook om uiting te geven aan het proces van het denken zelf. Een proces dat onaf is, maar door erover te schrijven hou je de gedachte vast. Het geschreven woord kan weerstand bieden, kan onderhandeld en verbeterd worden zonder dat het vervaagt of verdwijnt.

Als je aan zoiets begint, wordt verwacht dat je mooi opent met een definitie. Ik geloof niet in definities. Als we concepten definiëren dan hebben we immers de neiging om in vaste termen te denken, terwijl alle concepten altijd veranderlijk en anders definieerbaar kunnen zijn. Ik wil niet te postmodernistisch klinken, want dat ben ik niet, maar ik geloof eerder in het omschrijven van concepten dan in het definiëren ervan.

Omschrijven van de concepten die we gebruiken lijkt me zeker nuttig en vooral zinvol. Omschrijven om richting te geven voor wie richting nodig heeft, om meer inzichten te bieden en nieuwe perspectieven te openen.

Engagement is vandaag hard nodig, waarde lezer.  Laat me u zeggen waarom.

We leven in harde tijden. Tijden die nu al een aantal decennia gedomineerd worden door een doorgedreven kapitalisme ten voordele van een kleine groep in onze samenleving. De problemen zijn enorm en ze zullen niet opgelost raken zolang het kapitalistisch systeem stand houdt. Het is een systeem dat constant crisissen genereert. Crisissen die leiden tot meer ongelijkheid, uitsluiting en armoede. Crisissen die inherent zijn aan het kapitalisme, zoals Karl Marx lang geleden voorspelde.

Behalve crisissen op sociaal, economisch en politiek vlak hebben we ook te maken met een crisis van de mens zelf. Eén van de fundamenten van het kapitalistische systeem is het individualisme. Hoe langer het kapitalisme domineert, hoe meer egoïstisch dit individualisme wordt. Het is elk voor zichzelf.

Een andere hoeksteen van het kapitalisme is dat we in competitie gaan met elkaar om te overleven of om –zogezegd- het beste uit onszelf te halen. Competitie is niet alleen essentieel voor de markt, het is ook een regelaar geworden voor de samenleving. Binnen het neoliberale kapitalistische systeem moeten de sociale processen overeenstemmen met de werking van de markt. Op die manier domineert het kapitalisme ons leven in alle mogelijke domeinen.

Waar heeft dit kapitalisme ons geleid? Alle grote instituties of organisaties, gaande van de Verenigde Naties tot de Wereld Bank en het Internationaal Muntfonds, geven toe dat ongelijkheid het grootste hedendaagse probleem is in de wereld. In mijn eigen stad, Brussel, heb ik die instituties niet nodig om mij dat te vertellen. Dat ongelijkheid ook in Brussel het grootste probleem is zie ik als burger van deze stad dagelijks met mijn eigen ogen.

Het is in Brussel dat mijn engagement vorm heeft gekregen. In de stad waar je woont, waar je dagelijks leven zich afspeelt, waar je studeert, waar je werkt, waar je thuis en je vrienden zijn, kan je moeilijk onverschillig zijn voor de groeiende ongelijkheid, uitsluiting en armoede.

Net afgestudeerd aan de universiteit stond ik voor de keuze om te gaan doctoreren of om mij maatschappelijk in te zetten. Lang heb ik niet getwijfeld. Het is dat tweede geworden. Ik moest iets doen, iets teruggeven aan de stad waar ik als student mooie tijden heb beleefd.

Engagement is onszelf geven in wat we doen. Het klinkt eenvoudig maar dat is het niet. Het is eenvoudig noch vanzelfsprekend. Die vanzelfsprekendheid ging verloren in de dominantie van het ‘elk voor zich’ discours. Voor wie zich niet kan geven in wat hij/zij doet, is het ook moeilijk te begrijpen waarom iemand zich in iets geeft, terwijl die persoon daar vaak niet echt een reden voor kan geven. Engagement moet je ervaren en niet uitleggen –reden waarom mijn uitleg hier niet kan tippen aan mijn ervaring.

We kunnen dus makkelijk zeggen waartoe ons engagement dient, maar de achterliggende redenen kunnen we niet zo rap bedenken. Geen zorgen voor wie dit bekend in de oren klinkt, want het is met de tijd en met de ervaring van jezelf te geven in wat je doet, dat men beseft wat die redenen zijn.

Een ander aspect van engagement is de context. Als we alleen met onszelf bezig zijn, dan gaat het vooral om onze eigen context. Door je te engageren besef je dat er een ruimere context bestaat dan die van jezelf. Men realiseert zich dat er veel dingen bestaan die de moeite waard zijn om zich voor te engageren.

 Dat is begrijpelijk als je weet dat engagement betekent ‘in contact komen met de ander’, ‘bezig zijn met de ander’. Tijdens ons engagement kunnen we niet anders dan voorbij onszelf kijken en in een echte relatie treden met de ander. Het gaat niet om een relatie waarin je jezelf kwijtraakt of waarin alleen de ander bestaat. Het gaat om een constructieve relatie waarin je engagement kritisch is en blijft.

Engagement begint in het klein en kan groter worden. Het is in groepen van twee, drie, vier… dat we samenkomen met andere mensen. Deze samenkomsten geven ons de kans om onze eigen realiteit vanuit verschillende perspectieven te bekijken. Perspectieven die voor ons anders onbestaand waren.

Even belangrijk is ook het feit dat we via ons engagement een plaats innemen in de wereld. Door een engagement aan te gaan met en voor anderen vinden we een plaats voor onszelf. Een plaats vinden voor jezelf in een ruimere context lijkt me niet alleen zinvol, het is gewoon broodnodig in deze tijden van snel leven waarin vervreemding werd geïnternaliseerd tot in het bot. We kunnen niet langer aan de kant staan als een toeschouwer bij een belangrijk deel van ons eigen leven. Want willen of niet, wat in onze omgeving gebeurt heeft een impact op ons leven.

Niet langer leven als toeschouwer maar eerder als deelnemer, betekent dat engagement samen-zijn is. Je bent samen met anderen die ook in engagement geloven. Deze diepe contacten met de ander en mede-zijn dat wordt gedeeld, lijkt me een goede oefening in samenwerking, solidariteit en samenleven met de ander.

Via het samen-zijn zoeken naar verbondenheid en punten van gemeenschappelijkheid, is essentieel om engagement te doen slagen. Men moet niet vergeten dat men zich engageert om iets te realiseren, om iets te veranderen.  En als ongelijkheid het grootste probleem is in de samenleving, die ook de onze is, dan is verandering onontbeerlijk.

Dat betekent niet dat ik per se pleit voor een resultaatsgericht engagement. Het is vandaag in de mode dat alles resultaatsgericht moet zijn. Engagement is eerst en vooral een proces. Een proces waarin men zich kan inzetten samen met andere mensen; waarin men kan luisteren en leren van de anderen; en waardoor je blik wordt verruimd. Daarom moet men engagement ervaren, want enkel in de ervaring kan men de waarde en het belang ervan zien.

Waarde en belang niet alleen voor degene voor wie men zich engageert, maar ook voor zichzelf. Engagement is behalve geven ook nemen. Ik geloof dat elk van ons er veel aan heeft als hij of zij zich engageert voor de plek en de mensen waar hij of zij woont. Je bouwt een andere relatie op met mensen en je krijgt iets gemeenschappelijks. Bovendien voelt het goed, je voelt je thuis daar waar je bent.

Dat betekent niet dat engagement louter lokaal moet blijven, daar waar je woont. Ik denk dat het belangrijk is dat we ons engageren daar waar ons dagelijkse leven zich afspeelt, in de wijken, de dorpen en de steden waar we met elkaar leven. Het is daar dat we iets kunnen betekenen, daar dat we iets kunnen veranderen. Dat hoeft echter niet in strijd te zijn met een engagement in een wijdere omgeving. Het is zelfs een must om geëngageerd, verbonden en solidair te zijn met mensen overal in de wereld die zich inzetten voor verandering en verbetering.

Bleri Lleshi is politiek filosoof